Tembak 11
november – 18:00
Ik zit al weer
bijna een maand in Indonesië en soms voelt het alsof ik nooit ergens anders heb
gewoond. Veel zaken voelen enorm vertrouwd – het zwemmen in het riviertje,
rijst als ontbijt, het getsjirp van de tjitjaks… Tot nu toe is alles zijn
gangetje gegaan. Het veldwerk is soms lastig, maar dat hoort er bij. Tot nu toe
ben ik nog niet echt in gevaarlijke situaties terechtgekomen. Oké, soms is het
rijden op zo’n brommertje aardig riskant, vooral als het net geregend heeft.
Soms is de stroming van het riviertje eigenlijk te sterk om in te zwemmen. Maar
goed; een beetje avontuur moet er toch ook zijn.
Zo had ik
afgelopen zondagmiddag niet veel te doen en ik besloot een tochtje te maken.
Wellicht kon ik een geschikte plek vinden om mijn cameraval op te hangen (zie
weblog). Dat apparaat heeft mijn arme vader 160 euro gekost en ik heb er nog
geen enkel dier mee gefotografeerd. Ik wilde toch, voordat ik wegging, op zijn
minst een argusfazant fotograferen. Dus hoe sneller dat ding geïnstalleerd was,
hoe beter.
Ik trok mijn
wandelschoenen aan en smeerde mijn handen in met deet; gooide alles uit mijn
rugzak wat ik niet nodig had en vertrok richting het oerwoud. Het stuk bos waar
ik wilde wandelen is door de Dayaks aan een stichting gegeven die het wil
gebruiken om orang-oetans los te laten. In dit bos kunnen de orang-oetans, na
een leven van gevangenschap, weer leren hoe het is om een echt bosmens te zijn.
In dit bos zijn
door de Dayaks een aantal routes uitgezet. Deze routes worden gemarkeerd door
paaltjes. Deze paaltjes worden gemaakt van stukken bamboe die in de rode verf
zijn gedoopt. Rood vormt een goed contrast met groen, moeten ze gedacht hebben.
De paadjes in zo’n bos blijven echter nooit lang open. Het duurt vaak maar een
paar maanden voordat het oerwoud de ruimte heeft opgevuld met jonge planten.
Aanvankelijk
hield ik mij dus aan de paaltjes-route. Ik hield mijn tempo erg rustig zodat ik
niet weg zou glibberen. Met tussenposen keek ik eens goed om mijn heen om te
zien of er geen leuke insecten in de buurt waren. Door het rustig aan te doen
had ik het misschien op tijd door als ik een plant met dorens (klein, groot of
erg groot) tegenkwam.
Leuke insecten
kwam ik al snel tegen: een miljoenpoot, vlinders in alle kleuren, zoemende libellen
en een oorwurm zo groot als een Zwitsers zakmes. Na een tijdje vond ik ook een
slak wiens huisje groot genoeg was om een muizenfamilie in te laten wonen. Op
een zeker moment bevond ik mij op een helling. Aan mijn rechterkant ging het
pad verder en aan mijn linkerkant, tussen de bomen en de prikkelplanten,
stroomde een beekje.
Waar water is
komen dieren om te drinken, dus ik besloot mij aan de afdaling te wagen. Ik
klom over omgevallen bomen heen, wurmde mij tussen lianen en moest mij af en
toe aan jonge boompjes vasthouden om niet uit te glijden. Tien minuten later
had ik het stroompje bereikt. Helaas kon geen boom vinden die geschikt was om
mijn cameraval aan vast te binden. Ik moest het maar ergens anders proberen.
Aan de overkant van het beekje stond weer zo’n rood paaltje. Misschien kon ik
aan de ander kant weer omhoog. Dit bleek zeker mogelijk maar het was lastig en
ik moest een paar keer stoppen om mij uit de dorens te bevrijden. Maar goed;
een beetje avontuur moet er toch ook zijn. Bovenaan de heuvel kreeg ik al weer
een rubberplantage in zicht. Dit stuk bos was immers maar 63 hectare groot -
dat zijn ongeveer 90 voetbalvelden.
Een half uur
later was ik hopeloos verdwaald. Ik ploeterde over boomstammen, wurmde onder prikkelplanten,
gleed een paar keer uit en was wanhopig op zoek naar de uitgang. De ellende was
dat de zon, die in het bos sowieso maar beperkt schijnt, al laag aan de horizon
stond. Nog een uur, misschien, en dan zou het donker zijn. Dan was de weg naar
Tembak oneindig ver te zoeken. Natuurlijk had ik verzuimd om ook maar iets mee
te nemen. Een kapmes was handig geweest, maar daarvan had ik niet gedacht die
nodig te hebben. Dit gold ook voor drinkwater, een zaklamp en een zakmes. Het
enige voedsel dat ik in mijn tas kon vinden was een doosje met half-gesmolten
pottertjes. Dit kon nog spannend worden.
Terwijl de
schemering intrad ploeterde ik door het oerwoud. Ik zat inmiddels onder de
schrammen en muggenbulten. Mijn broek en T-shirt waren doorweekt van het zweet
en mijn spieren voelden aan als elastiekjes. De rode paaltjes, die ik om de
haverklap tegenkwam, leken met complete willekeur te zijn geplant. Als ik een
route volgde eindigde ik in een oude rubberplantage met manshoge varens. Als ik
een andere route volgde eindigde ik in het moeras.
Uitgeput ging ik
op een stam zitten om na te denken en uit te rusten. Waarschijnlijk had ik nog
maar een half uur daglicht en waarschijnlijk had ik al drie rondjes door het
bos gemaakt. Tussen de bomen om mij heen klonk gekraak. Cicaden zoemde
oorverdovend. Zaten er slangen in dit bos? Ongetwijfeld. Tim had zelfs een keer
voetsporen gevonden van een beer. Hoe sneller ik hier wegkwam hoe beter. Als ik
maar wist welke kant ik op moest...
Toen deed ik, tot
mijn verbazing, een ontdekking die alles wellicht toch nog tot een goed eind
zou kunnen brengen. In een grijs plastic zakje dat ik tot nu toe over het hoofd
had gezien zat de GPS die ik van de leerstoelgroep had geleend. Onmiddellijk
zette ik het ding aan en wachtte gespannen af. Op het schermpje stonden de
woorden: ‘tracking sattelites’. Vijf minuten later stonden die woorden er nog
steeds. Het had geen zin. Het bladerdak was veel te dicht en de GPS was veel te
goedkoop.
Als je maar één
kant oploopt, dacht ik steeds, dan moet je uiteindelijk bij een weg komen. Het
bleek in het oerwoud echter onmogelijk om maar één kant op te lopen. In
mijn gedachten waren de mensen van Tembak al naar mij op zoek omdat ik niet
voor het eten was komen opdagen. Ze zouden met zaklampen naar het bos toe komen
en mijn naam roepen. Ze zouden mij uiteindelijk vinden: doorweekt, uitgeput en
half dood, tussen de wortels van een hoge boom. Ze zouden mij zeggen hoe idioot
het wel niet was om in je eentje het bos in te gaan.
Tak voor tak trok
ik mij omhoog op het zoveelste heuveltje. Iedere beweging kostte me enorm veel
moeite. Mijn tong hing als een droge lap in mijn mond en ik kreeg het soort
koppijn dat je krijgt als je teveel hebt gedronken. Op zo’n moment is het
oppassen dat je niet gaat hyperventileren. Ik mompelde steeds woorden van
zelfverachting en in het gezoem van de cicaden verbeelde ik mij het bekende
riedeltje te horen: ‘eigen schuld… dikke bult…’.
Ik moest aan
Thomas denken, die in Nepal verdwaald was geraakt op een regenachtige verghelling
vol met bloedzuigers. Hij had gedacht dat dit zijn einde was, maar hij was niet
alleen geweest. Hij had een gids bij zich gehad. Uiteindelijk waren ze gered
door een stel herders en opgelapt in een blokhut. Ik moest mijzelf vermannen.
Fantaseren over hoe het allemaal kan aflopen kostte alleen maar energie. Dit
bos is maar 90 voetbalvelden groot…
…
Opeens hoor ik
een bekend gebrom. Het is een brommertje! En als je een brommertje hoort, dan
kan het niet lang duren voordat je een weg tegenkomt. En inderdaad. Na vijf
minuten sta ik naast een zanderige weg. Ik kan een kreet van verrukking niet
meer onderdrukken. Nu is het gesneden koek. GPS aan, naar ‘thuis’ navigeren,
douchen, drinken, eten, slapen. Klaar.
Twintig minuten
later loop ik versuft door Tembak. De mensen die groeten me. Ik grijns terug en
zwaai. Alles aan mij is een wrak: mijn t-shirt, mijn schoenen, mijn lichaam.
Zelfs de batterij van de GPS is leeg. Een beetje avontuur moet er toch ook
zijn.
Op mijn bord ligt
een gefrituurd visje. ‘Itu ikan di sini?’ vraag ik. Ja, dit is een visje uit de
vijver naast het huis. Dezelfde vijver waarin mijn uitwerpselen heen worden
gespoeld als ik doortrek. Dezelfde vijver waar mijn synthetische shampoo-resten
terecht komen. Maar ach, de Noordzee is natuurlijk ook niet echt een helder
soepje. Ik neem een hap. Het smaakt heerlijk.