Highlights

maandag 17 december 2012

Een aap voor een aap


Sintang, 17 december – 16:00

Alle tickets zijn geboekt, alle hostels gereserveerd. Mijn bagage is ingepakt en mijn bus vertrekt over drie uur. Na twee dagen en nachten piekeren over wat het beste is om te doen heb ik toch besloten om naar Nederland te gaan om kerst te vieren met mijn vriendin Maria en mijn ouders.

Teruggaan naar Nederland klinkt als opgeven; maar zo zie ik het niet. Het is niet meer of minder dan het pad volgen waar mijn hart het meeste licht op schijnt. Natuurlijk zijn er zoveel bezwaren; natuurlijk wordt het een zware reis. Het is eenvoudig de meest waarachtige weg die ik kan kiezen.

Een van de mooiste teksten die ik ken is de vertaling van een lied van Jacques Brel door Willem Wilmink:

‘In eigen kilheid zo gevangen
dat men voor de liefde zich verschuilt
zo aan het eind van elk verlangen
Maar dan een vriend te zien die huilt’

Dat is denk ik waar het hier om gaat.

Dat ik mij tijdelijk terugtrek betekent niet dat mijn werk er hier op zit. Ik ben hier nog niet klaar en ik wil hier snel weer naar toe. Ik kan hier nog heel veel leren en er gebeuren hier veel spannende en interessante dingen.

Nog geen uur geleden werd de achtertuin bevolkt door een heel reddingsteam die een geconfisqueerde orang-oetan kwam brengen uit een dorp op twee uur afstand. Ik kon zien hoe het dier, nog maar een jong kereltje, angstig maar nieuwsgierig door de tralies van de reis-kooi heenkeek om te zien waar hij terecht zou komen. Het is een gevoel dat ik – zeker in deze tijden – heel erg goed herken.

Natuurlijk kwam hij op een goede plek terecht; want als is het orang-oetancentrum hier klein van omvang - het is een van de beste opvangcentra ter wereld. Samen keken alle apen toe hoe het nieuwe dier een plekje kreeg in het centrum. Zijn buurman, Mamat kwam hem meteen bekijken en begroeten. Ook de vrouwtjes in de andere ruimte waren erg geïnteresseerd in hun nieuwe buurman. De zon scheen terwijl het nieuwe mannetje zijn welkomstmaal van kleine banaantjes en lange bonen opat. Het was een prachtig gezicht en een mooie (voorlopige) climax van mijn tijd hier in Indonesië

Ik denk dus niet dat de mensen mij hier heel erg zullen missen, ze hebben er immers andere goeie aap voor in de plaats gekregen. Bovendien duurt het niet lang voordat ik hier weer terug ben. Maar eerst moeten we de tijd nemen om stil te staan bij wat werkelijk van belang is.

Tot snel en een fijne kerst!

zondag 16 december 2012

Gunting Rambut


Tembak, zaterdag 15 december 

Het is 11 uur in de ochtend en de zon schijnt fel op de stoffige straat van het dorpje Tembak. Ik wandel naar het kapsalon; misschien is het open en dan kan ik mijn haar laten knippen. Het is erg rustig op straat; een hond ligt te slapen op de weg, in de berm loopt een kip achtervolgd door haar kuikens. Op de terrassen van de kleurige huisjes zitten mensen rustig te praten.

Kapsalon ‘Ulan’ is open. Ik vraag aan de dame of ze tijd heeft om mij te knippen. Dat heeft ze, ik mag plaatsnemen in de wachtruimte – de straat. Ik ga zitten op een stoel aan de kant van de weg en denk even of ik dit echt wil doen. Er zijn drie redenen waarom ik mijn haar wil millimeteren. De eerste is dat het huidige kapsel te warm is, de tweede reden is omdat het huidige kapsel mij niet staat. De derde reden is omdat ik Maria wil verassen. In het ziekenhuis hebben ze een deel van haar haar er af gehaald omdat het begon te klitten. Als ze straks aankomt in Sintang kan ik haar mooi laten schrikken en krapjes maken over het feit dat we allebei zijn kortgeknipt.

‘Hoe wil je het hebben?’ vraagt de kapster in het Indonesisch. ‘Seperti Agung’ zeg ik, ‘Net als Agung.’ Agung heeft zijn haar drie weken geleden laten knippen. Ik moet even slikken als de juffrouw haar tondeuse in mijn haar zet – de laatste keer dat ik mijn haar zo kort had was ik vijftien. Daar gaat ‘ie dan. Vol angstgevoelens zie ik hoe grote stukken van mijn haar op de grond vallen. Geen weg meer terug.

Al na twee minuten is de tondeuse stuk. Dat is pech hebben, want het werk is nog niet half af. Geen paniek – daar kom t de echtgenoot van de kapster al aan met een schroevendraaier. Na dertig minuten kijk ik mezelf aan in de spiegel – het is even wennen, maar het ziet er niet slecht uit. Ik vraag de kapster hoeveel het kost. Ik moet haar 15.000 rp betalen. Dat lijkt veel, maar het is ongeveer 1,2 euro. Ik geef haar een briefje van 50.000 (4 euro). ‘Oei,’ zucht de kapster ‘ik denk niet dat ik voor dat geld genoeg wisselgeld heb.’ Het zoontje wordt erop uitgestuurd om het geld te wisselen en even later is de transactie compleet.

Als ik terug loop naar huis zie ik dat Pak Nayau mij tegemoet komt rijden. Hij ziet mij in de verte en begint te lachen. Het blijkt dat hij mij wilde zoeken omdat ik wordt verwacht voor de lunch. Nayau draait zijn motor om en keert terug naar huis. Ik volg hem te voet. De mensen in de huisjes moeten stuk voor stuk lachen als ze mij zien. Ze wijzen en ze maken knip-bewegingen met hun vingers. Ik lach en zwaai terug. Het is immers nogal komisch; zo’n korte kop.

Terug bij het huis zie ik dat Agung terug is. Ook hij moet lachen als hij me ziet. ‘Now we are twins’ zegt hij. Ik vraag hem hoe het was in Sintang. ‘Met mij gaat alles goed. Maar ik heb slecht nieuws voor je.’ ‘Wat voor nieuws?’ ‘Ach, ga eerst maar eten, ik vertel het later wel.’ ‘Wat voor nieuws?’ dring ik aan. ‘Nou, je vriendin kan niet komen. Ze is erg ziek en ze moest haar vlucht annuleren. Misschien moet je terug naar Nederland.’

Het is 35 graden, maar mijn maag voelt aan als een blok ijs. ‘Misschien kunnen we morgen naar Sintang, dan kun je met je vriendin bellen.’

Ik loop het huis binnen. Het eten staat al klaar. Ik schep op. Ik kan geen hap door mijn keel krijgen. Maria is ziek. Het gaat heel slecht met haar. Langzaam verwerk ik deze nieuwe feitjes die mijn hele werkelijkheid zo maar op zijn kop gooien. Opeens lijkt het alsof al mijn zintuigen op scherp staan. Ik voel de houten vloer onder mijn moeten. In de verte hoor ik een insect tsjirpen. In een kier in de muur zit een snoeppapiertje dat mij nooit eerder is opgevallen.

Maria komt niet. Op zich is dat iets waar ik mee kan leven. Maar door het idee dat ze nu ligt te creperen van de pijn worden er tranen uit mijn ogen geperst – ook al probeer ik ze tegen te houden. Sinds ik hier ben heb ik mij nog nooit zo ver weg gevoeld als nu. Wat weet ik eigenlijk weinig, denk ik. Ik weet alleen maar dat Maria weer ziek is en dat ze niet kan komen. Meer niet.

Een uur later lig in mijn onderbroek op bed. De deur van mijn kamer zit op slot. Eindelijk sta ik mijzelf toe om verdriet te hebben. Ik voel hoe de golven van verdriet door mijn lichaam trekken, hoe de tranen uit mijn ogen sijpelen. Ik voel hoe mijn handen trillen en hoe mijn mond meer speeksel aanmaakt. Ik kijk naar het houten plafond op mijn kamer. Ik slaak een diepe zucht en slik. Alles veranderd.


Nadat ik een beetje ben uitgerust en mezelf heb gewassen met fris koud water vraag ik Darius, een neef van de familie Nayau mij naar de ‘muggenheuvel’ te brengen. De muggenheuvel is een hooggelegen rubberplantage tegenover de basisschool. Het stikt er van de muggen maar het is een van de weinige plekken in Tembak waar je bereik hebt met je mobiele telefoon.

Op de muggenheuvel probeer ik een sms’je te sturen naar Maria. Ik zie hoe mijn telefoon zijn best doet om het bericht te versturen. Het ene streepje op het scherm dat het bereik aangeeft knippert twijfelachtig. Na een tijdje lijkt het erop dat het is gelukt. Het bericht is verzonden. Twee muggen proberen mijn linkervoet leeg te zuigen; een andere mug de rechtervoet.

Opeens wordt ik gebeld. Ik neem op. Het is Berty - de moeder van Maria. ‘Maria wilde je graag terugbellen,’ zegt ze ‘maar ze heeft te veel pijn op de telefoon vast te houden. Ja… Maria zit er nu helemaal doorheen. Misschien wil ze je toch even spreken. Wil je het proberen, schat?’ even later heb ik mijn geliefde aan de lijn. Ze huilt. Tussen het gesnik door hoor flarden van een klein stemmetje dat mij duidelijk probeert te maken dat het haar spijt dat ze niet kan komen. Ik merk hoe ik weer helemaal op scherp sta. Ik probeer om haar te zeggen dat het niet erg is, dat ik mij zorgen maak, dat ik van haar hou…

Als ik haar moeder terugkrijg aan de lijn, vraag ik haar hoe het zo is gekomen, waarom Maria net in het ziekenhuis ligt, hoe lang ze al pijn heeft. Het blijkt dat Maria al twee dagen helemaal verlamd van de pijn op bed ligt en dat geen enkel ziekenhuis haar op wil nemen. Ook hoor ik hoe Thomas haar heeft proberen te helpen en hoe hij heeft geprobeerd om hulp in te schakelen. Thomas… een warm tintelend gevoel glijd door mijn longen. Hij was er voor haar. Ik ben hem wat verschuldigd.

‘Ik denk erover om terug te komen naar Nederland.’ Zeg ik tegen Berty. ‘Hoe denkt u daarover?’ ‘Tjsa, we hadden wel een romantische gedachte over “christmas at home” maar je moet maar kijken wat kan.’ Ik wens haar gedag en klik op het rode knopje op mijn mobiele telefoon. Ik ga naast Darius op een boomstam zitten. Ik probeer hem duidelijk te maken wat er aan de hand is. Ieder woord kost moeite: ‘Pacar saya sakit sekaki… Mungkin saya harus kembali ke Belanda’ Darius knikt. Hij heeft het begrepen. We stappen op zijn brommer en rijden terug.

Eenmaal terug in het huis waar ik slaap begin ik met het inpakken van mijn backpack…


donderdag 6 december 2012

Wie zoet is krijgt lekkers...

 Sintang, 5 december – 17:30

Ik sta bij de kassa van de Indonesische variant van ‘blokker’ en kijk hoe mijn boodschappen een voor een worden gescand: drie rollen pakpapier, een groen spaarvarken, een pluizig, geel etuitje met een angry-birds poppetje, een doos beng-beng’s, een zak met apennootjes, een oranje aansteker en een zakje pizza/rijst-koekjes. Dit zijn mijn sinterklaascadeautjes die ik vanavond zal inzetten bij het grote ‘SINTANG-klaas’ spel.
Tijdens de rit naar de feestlocatie probeer ik Agung uit te leggen hoe de kinderen in Nederland cadeautjes krijgen tijdens het Sinterklaas feest. ‘Ze zetten hun schoen in de buurt van de openhaard. In de schoen doen ze een wortel voor het paard en een lijst met cadeautjes die ze willen hebben. Dan moeten ze een liedje zingen want misschien zit er wel een zwarte piet te luisteren.’ Agung knikt alsof het de normaalste zaak van de wereld is, terwijl ik mij verwonder over de complete absurditeit van het hele proces.
Om vijf uur arriveren Agung, zijn neef Jamli en ik bij de twee Hollandse meisjes die ons hebben uitgenodigd: Esther en Robin. Deze twee dames werken voor een stichting die fysio- en ergotherapie aanbied aan kinderen met een handicap in Sintang. Esther staat in de keuken en is pannenkoeken aan het bakken. Robin is bezig de andere gasten een sinterklaasliedje aan te leren.
Na een tijdje druppelen de andere gasten binnen. Dit zijn vooral jonge, Indonesische vrouwen die op de scholen werken waar Esther en Robin langskomen. We zitten op de grond en eten pannenkoeken. Er wordt een hoop gelachen en een hoop grapjes gemaakt. Het is toch een behoorlijk multicultureel feestje geworden: we spreken Nederlands, Bahasa en Engels. Rechts van mij zit een Islamitisch meisje en links van mij een Katholieke jongeman en daar zit ik dan weer tussenin met mijn Boeddhistische allures.
Na het eten van de pannenkoeken begint het grote cadeautjes-spel. In het midden ligt een stapel cadeautjes. Door het gooien met de dobbelsteen en het uitvoeren van opdrachten kun je cadeautjes winnen en verliezen. Het is al snel duidelijk dat Agung graag de poederkoffie wil hebben. Hij heeft er duidelijk veel lol in en klaagt en moppert als hij weer een cadeautje moet ruilen of afstaan.
Na een uur spelen heeft iedereen de buit binnen. Ikzelf heb een toilettasje en een prinsessen-spiegeltje gewonnen en Agung zit grijnzend met een aantal zakje poederkoffie op zijn schoot. Tot slot doe ik wat goocheltrucs en Agung speelt poppenkast met de twee handpoppen van de int en zwarte piet.
Ik heb al veel bijzondere Sinterklaasfeestjes bijgewoond, maar deze editie was toch wel heel speciaal.



maandag 26 november 2012

Gesnapt


Tembak – vrijdag 23 November, 14:00

Agung en ik zitten op een bankje, ergens in een van de rubberplantages van de Dayaks. We rusten uit van de eerste helft van onze tocht over dit ruwe terrein. De plantages zijn stuk voor stuk aangelegd op de hellingen van de vele heuvels in dit gebied. Dat betekent een hoop geklauter; sommige hellingen zijn zo stijl dat ik mij aan de wortels van bomen moet optrekken om omhoog te komen. Soms komen we een beekje tegen. Dat betekent bijna altijd dat je een koorddans-act moet vertonen op een smalle, glibberige boomstronk. Als je valt ben je -in het gunstigste geval- kletsnat.
‘Wil je koffie?’ vraagt Agung, wijzend op een modderachtige substantie in een plastic flesje. ‘ja, doe maar.’ zeg ik. Ik neem een slok en proef dat ook deze koffie meer suiker bevat dan water. Maar goed, van suiker krijg je energie en dat heb ik nu hard nodig. Mijn T-shirt is doorweekt van het zweet en op het vel van mijn handen prijken vijf muggenbulten, netjes op een rij.
We staan op en vervolgen onze tocht. Twintig minuten komen we bij twee enorme rotsblokken, overgroeid met mos. ‘Hier is het,’ zegt Agung. ‘Kijk, daar loopt het tunneltje.’ Hij wijst naar een stukje grasachtige planten. Ik hurk neer en bestudeer de planten. Tussen de grashalmen is een ronde opening, inderdaad als een soort tunneltje. Het werk van een zoogdier; dertig centimeter hoog, nachtactief en een grondbewoner.
Als je het tunneltje volgt dan zie je ook waar het naartoe leidt: een spleet tussen de rotsen. ‘Dit is een goede plek voor onze cameraval’ zegt Agung. Dat ben ik zeker met hem eens. Ik haal de camera tevoorschijn. ‘Foto of video modus?’ vraag ik. ‘Video, dat is beter.’ Ik stel de camera in terwijl Agung de achterkant van de camera bevestigt aan een dun boompje. ‘Denk je dat hij zo goed staat gericht?’ Vraagt Agung.
‘Ja dat denk ik wel. Nu is het slechts een kwestie voor het dier om langs te komen en “hallo” te zeggen.’
‘En als hij door jouw camera wordt gefilmd, dan komt hij misschien ook wel langs onze val…’
‘Wat bedoel je met “onze val”’?
‘Kijk maar’ zegt Agung, wijzend op een lus gemaakt van takjes – een strik. Het ding was mij nog helemaal niet opgevallen. Terwijl ik bedenkelijk toekijk laat mijn vriend zien wat de bedoeling is - het dier loopt in de strik en wordt dan door de veerkracht van een omgebogen boompje omhoog gelanceerd. Het is een soort omgekeerde galg.
Terwijl we teruglopen naar het dorp, peins ik over het nut van mijn cameraval. Wat heeft het voor zin als ik een dier op de film heb, als hij drie meter verderop verstrikt raakt in een val? Het was mij al eerder opgevallen dat de Dayaks op een andere manier tegen dieren aankijken. De eerste ontdekking deed ik toen in op een bruiloft naar de wc moest. Ik werd toen in een huisje geleid en naar de badkamer gebracht. Toen ik neerhurkte om mijn behoefte te doen en opzij keek, schrok ik mij te pletter. Naast mij stonden drie emmers, met in elke emmer een schildpad ter grote van een schoolagenda.
Het houden van een schildpad in een emmer (natuurlijk om hem op een later moment op te eten) vind ik een naar iets. Het stuit mij tegen de borst; evenals het houden van een aapje in een kooi van nog geen kubieke meter groot. Ik zou er graag iets aan willen doen, maar hoe verander je de mentaliteit van de mensen die je als gast behandelen?
Thuis gekomen trek ik mijn vuile kleren uit en ik neem een bad. Zou het dit keer lukken om een dier op de film te krijgen?

Vijf dagen later

Agung staat voor de deur van mijn kamer. ‘Janse, ik heb de cameraval opgehaald. Ik denk dat we dit keer geluk hebben!’
‘Waarom denk je dat?’ vraag ik.
‘Kijk maar.’ zegt Agung, en hij houdt zijn hand op. In zijn handpalm ligt het onweerlegbare bewijs dat er een dier is langs geweest. Het is mij ook meteen duidelijk wat voor dier het is. Nu is de vraag – heeft de cameraval zijn werk gedaan en staat het dier op film?

In spanning bekijken we de filmpjes op de cameraval. De eerste filmpjes zijn natuurlijk gemaakt toe wij de cameraval installeerden. Ik zie stukje van mijn torso langskomen en een paar bezweette gezichten. De volgende drie filmpjes zijn vals alarm – er staat niets anders op dan de bosjes rond het hol. Op het volgende filmpje staat wel een dier. Een nachtvlindertje. Ik moet even slikken. Het lijkt erop dat we weer misgrijpen. Er is nog maar één filmpje over, gemaakt in de nacht. Gespannen kijken we naar het filmpje dat maar vijftien seconden duurt. De eerste tien seconden gebeurt er niets. En dan – onderaan het scherm -beweegt er iets. Een snuit, een oogje en –in een flits- de rest van het lichaam.
Agung en ik barsten los in gejuich. Het heeft gewerkt! Alle moeite is niet voor niets geweest… We hebben ons eerste zoogdier gefilmd met de cameraval (als je mij niet meerekent). Geen dood dier, maar wel een dier op film. ‘We moeten dit vieren.’ Zeg ik. ‘En de stekels? Mag ik die houden?’ Agung knikt. 

Wil je weten wat voor dier er op het filmpje verscheen? Klik dan hier.

zondag 18 november 2012

Koning der Vruchten


Tembak, 14 november, 19:00

Het is avond en ik beklim het trapje van Huize Nayau. Ik loop over het terras, door het portaal (zonder te hoeven bukken) en ik sta in de woonkamer in het huis van de meest vriendelijke mensen die er zijn. De oudere huizen hier zijn gemaakt van oersterk, tropisch hardhout en kunnen zo honderd jaar blijven staan, mits er iemand in wil wonen. Tegenwoordig bouwen de meeste Indonesiërs hun huizen van beton en tegels maar Pak Nayau is van plan het nieuwe huis (pal naast het oude huis) volgens traditionele, architectonische richtlijnen te bouwen. Dat betekend veel hout en weinig beton.

Hoewel het huis een traditionele vorm heeft staat er toch een Samsung flat screen tv in de huiskamer. Una, met twee jaar de jongste van het gezin, zit foto’s te kijken op de Ipad en Darius, met 25 jaar de oudste zoon, speelt een liedje op zijn Blackberry. Sian (8 jaar) zit zijn knikkers na te tellen. Moeder en oma zitten te koken in de keuken en Nayau is de boekhouding aan het doen.

In de anders zo welriekende huiskamer hangt nu een penetrante lucht die wat weg heeft van de geur van benzine. Misschien staat er achter het huis wel een motor met een lekkende tank… Ik neem een kijkje in de keuken en ik ontdek dat wat ik ruik niet afkomstig is van een kapotte motorfiets. Naast de afwasteil ligt namelijk een grote zak met rijpe doerians.

Voor de trouwe lezer die nog nooit van een Doerian gehoord heeft moet weten dat het een vrucht is ter grote van een kokosnoot. De schil is bedekt met harde, puntige stekels en is groen van kleur. In de vrucht zelf zitten verschillende compartimenten, elk compartiment bevat vier of vijf pitten die omhuld zijn met een beige vruchtvlees. Het is deze substantie die zo gewild is bij de Indonesiërs, die de doerian liefkozend ‘Koning der Vruchten’ noemen.

De doerian is berucht. Niet in de laatste plaats omdat de vrucht enorm stinkt. Het is een soort mengeling van benzine en munster-kaas. De lucht is zo sterk dat het in bussen en officiële gebouwen vaak verboden is om een doerian bij je te hebben. Op de markt zijn doerians vaak erg prijzig, maar hier in Tembak beginnen ze net rijp te worden.

‘Wil je een stukje?’ vraagt Pak Nayau grijnzend. ‘Misschien een heel erg klein stukje.’ zeg ik. Beverig neem ik een heel erg klein stukje uit een geopende doerian. Ze zeggen dat iemand die een doerian heeft gegeten vijf weken lang uit zijn mond blijft stinken. Dan kan het nog net, want Maria komt pas over zes weken. Ik stop het stukje in mijn mond. Het vruchtvlees heeft de structuur van avocado. De smaak is een stuk lastiger te omschrijven… Ik denk dat als je twee verse haringen, een overrijpe mango en een teentje knoflook in de mixer doet, je een prutje krijgt dat nagenoeg dezelfde smaak heeft als de doerian.

De Indonesiërs kijken gespannen toe hoe ik op het stukje kauw. ‘Vind je het lekker?’ vragen ze. ‘Voortreffelijk!’ antwoord ik. Ik neem een groter stuk. De mensen lachen en pellen een nieuwe Doerian open. ‘Janse,’ zegt Pak Nayau, ‘misschien is het beter als je eerst je rijst eet voordat je nog meer doerian eet. Op een lege maag krijg je anders te veel gasontwikkeling.’ Gehoorzaam nuttig ik mijn avondeten: rijst met groente en als extraatje aardappelkoekjes. Het smaakt allemaal erg lekker maar ik kijk uit naar de eerstvolgende hapjes doerian.

Samen met Sian zit ik even later in de keuken voor het toetje een tweede doerian op te peuzelen. Dan komt Agung binnen, mijn steun en toeverlaat hier die alles voor mij regelt. ‘Ben je doerian aan het eten? Vind je het lekker? Geweldig, ik ben ook dol op doerian. Misschien gaan we morgen wel op zoek naar verse doerians in het andere dorp. Hier zijn ze nog niet rijp.’

Terwijl ik verder eet kijk ik toe hoe Nayau en Agung een fles vullen met een heldere, kleurloze vloeistof. ‘Is dat arak? Mag ik daar wat van?’ vraag ik.
‘Oh nee, zeker niet. Je moet nooit alcohol drinken na het eten van een doerian. Dat is dodelijk.’ zegt Agung, ‘Daarom wilde ik ook geen doerian. Ik wil arak drinken.’ ‘Ai, hoe lang duurt het voordat ik Arak mag drinken?’ vraag ik. ‘In mijn geval zou ik drie uur wachten. In jouw geval zou ik vanavond helemaal niets drinken, ik zou ook geen medicijnen innemen als ik jou was.’

Dit is de bijsluiter van de doerian: geen alcohol, geen medicijnen en eerst iets anders eten. Zorg dat je altijd wc-papier bij je hebt. Je hebt het ervoor over of niet; de doerian is niet voor niets de koning 

zaterdag 17 november 2012

Op laatste kracht...


Tembak 11 november – 18:00

Ik zit al weer bijna een maand in Indonesië en soms voelt het alsof ik nooit ergens anders heb gewoond. Veel zaken voelen enorm vertrouwd – het zwemmen in het riviertje, rijst als ontbijt, het getsjirp van de tjitjaks… Tot nu toe is alles zijn gangetje gegaan. Het veldwerk is soms lastig, maar dat hoort er bij. Tot nu toe ben ik nog niet echt in gevaarlijke situaties terechtgekomen. Oké, soms is het rijden op zo’n brommertje aardig riskant, vooral als het net geregend heeft. Soms is de stroming van het riviertje eigenlijk te sterk om in te zwemmen. Maar goed; een beetje avontuur moet er toch ook zijn.

Zo had ik afgelopen zondagmiddag niet veel te doen en ik besloot een tochtje te maken. Wellicht kon ik een geschikte plek vinden om mijn cameraval op te hangen (zie weblog). Dat apparaat heeft mijn arme vader 160 euro gekost en ik heb er nog geen enkel dier mee gefotografeerd. Ik wilde toch, voordat ik wegging, op zijn minst een argusfazant fotograferen. Dus hoe sneller dat ding geïnstalleerd was, hoe beter.

Ik trok mijn wandelschoenen aan en smeerde mijn handen in met deet; gooide alles uit mijn rugzak wat ik niet nodig had en vertrok richting het oerwoud. Het stuk bos waar ik wilde wandelen is door de Dayaks aan een stichting gegeven die het wil gebruiken om orang-oetans los te laten. In dit bos kunnen de orang-oetans, na een leven van gevangenschap, weer leren hoe het is om een echt bosmens te zijn.

In dit bos zijn door de Dayaks een aantal routes uitgezet. Deze routes worden gemarkeerd door paaltjes. Deze paaltjes worden gemaakt van stukken bamboe die in de rode verf zijn gedoopt. Rood vormt een goed contrast met groen, moeten ze gedacht hebben. De paadjes in zo’n bos blijven echter nooit lang open. Het duurt vaak maar een paar maanden voordat het oerwoud de ruimte heeft opgevuld met jonge planten.

Aanvankelijk hield ik mij dus aan de paaltjes-route. Ik hield mijn tempo erg rustig zodat ik niet weg zou glibberen. Met tussenposen keek ik eens goed om mijn heen om te zien of er geen leuke insecten in de buurt waren. Door het rustig aan te doen had ik het misschien op tijd door als ik een plant met dorens (klein, groot of erg groot) tegenkwam.

Leuke insecten kwam ik al snel tegen: een miljoenpoot, vlinders in alle kleuren, zoemende libellen en een oorwurm zo groot als een Zwitsers zakmes. Na een tijdje vond ik ook een slak wiens huisje groot genoeg was om een muizenfamilie in te laten wonen. Op een zeker moment bevond ik mij op een helling. Aan mijn rechterkant ging het pad verder en aan mijn linkerkant, tussen de bomen en de prikkelplanten, stroomde een beekje.

Waar water is komen dieren om te drinken, dus ik besloot mij aan de afdaling te wagen. Ik klom over omgevallen bomen heen, wurmde mij tussen lianen en moest mij af en toe aan jonge boompjes vasthouden om niet uit te glijden. Tien minuten later had ik het stroompje bereikt. Helaas kon geen boom vinden die geschikt was om mijn cameraval aan vast te binden. Ik moest het maar ergens anders proberen. Aan de overkant van het beekje stond weer zo’n rood paaltje. Misschien kon ik aan de ander kant weer omhoog. Dit bleek zeker mogelijk maar het was lastig en ik moest een paar keer stoppen om mij uit de dorens te bevrijden. Maar goed; een beetje avontuur moet er toch ook zijn. Bovenaan de heuvel kreeg ik al weer een rubberplantage in zicht. Dit stuk bos was immers maar 63 hectare groot - dat zijn ongeveer 90 voetbalvelden.

Een half uur later was ik hopeloos verdwaald. Ik ploeterde over boomstammen, wurmde onder prikkelplanten, gleed een paar keer uit en was wanhopig op zoek naar de uitgang. De ellende was dat de zon, die in het bos sowieso maar beperkt schijnt, al laag aan de horizon stond. Nog een uur, misschien, en dan zou het donker zijn. Dan was de weg naar Tembak oneindig ver te zoeken. Natuurlijk had ik verzuimd om ook maar iets mee te nemen. Een kapmes was handig geweest, maar daarvan had ik niet gedacht die nodig te hebben. Dit gold ook voor drinkwater, een zaklamp en een zakmes. Het enige voedsel dat ik in mijn tas kon vinden was een doosje met half-gesmolten pottertjes. Dit kon nog spannend worden.

Terwijl de schemering intrad ploeterde ik door het oerwoud. Ik zat inmiddels onder de schrammen en muggenbulten. Mijn broek en T-shirt waren doorweekt van het zweet en mijn spieren voelden aan als elastiekjes. De rode paaltjes, die ik om de haverklap tegenkwam, leken met complete willekeur te zijn geplant. Als ik een route volgde eindigde ik in een oude rubberplantage met manshoge varens. Als ik een andere route volgde eindigde ik in het moeras.

Uitgeput ging ik op een stam zitten om na te denken en uit te rusten. Waarschijnlijk had ik nog maar een half uur daglicht en waarschijnlijk had ik al drie rondjes door het bos gemaakt. Tussen de bomen om mij heen klonk gekraak. Cicaden zoemde oorverdovend. Zaten er slangen in dit bos? Ongetwijfeld. Tim had zelfs een keer voetsporen gevonden van een beer. Hoe sneller ik hier wegkwam hoe beter. Als ik maar wist welke kant ik op moest... 

Toen deed ik, tot mijn verbazing, een ontdekking die alles wellicht toch nog tot een goed eind zou kunnen brengen. In een grijs plastic zakje dat ik tot nu toe over het hoofd had gezien zat de GPS die ik van de leerstoelgroep had geleend. Onmiddellijk zette ik het ding aan en wachtte gespannen af. Op het schermpje stonden de woorden: ‘tracking sattelites’. Vijf minuten later stonden die woorden er nog steeds. Het had geen zin. Het bladerdak was veel te dicht en de GPS was veel te goedkoop.

Als je maar één kant oploopt, dacht ik steeds, dan moet je uiteindelijk bij een weg komen. Het bleek in het oerwoud echter onmogelijk om maar één kant op te lopen. In mijn gedachten waren de mensen van Tembak al naar mij op zoek omdat ik niet voor het eten was komen opdagen. Ze zouden met zaklampen naar het bos toe komen en mijn naam roepen. Ze zouden mij uiteindelijk vinden: doorweekt, uitgeput en half dood, tussen de wortels van een hoge boom. Ze zouden mij zeggen hoe idioot het wel niet was om in je eentje het bos in te gaan.
Tak voor tak trok ik mij omhoog op het zoveelste heuveltje. Iedere beweging kostte me enorm veel moeite. Mijn tong hing als een droge lap in mijn mond en ik kreeg het soort koppijn dat je krijgt als je teveel hebt gedronken. Op zo’n moment is het oppassen dat je niet gaat hyperventileren. Ik mompelde steeds woorden van zelfverachting en in het gezoem van de cicaden verbeelde ik mij het bekende riedeltje te horen: ‘eigen schuld… dikke bult…’.

Ik moest aan Thomas denken, die in Nepal verdwaald was geraakt op een regenachtige verghelling vol met bloedzuigers. Hij had gedacht dat dit zijn einde was, maar hij was niet alleen geweest. Hij had een gids bij zich gehad. Uiteindelijk waren ze gered door een stel herders en opgelapt in een blokhut. Ik moest mijzelf vermannen. Fantaseren over hoe het allemaal kan aflopen kostte alleen maar energie. Dit bos is maar 90 voetbalvelden groot…


Opeens hoor ik een bekend gebrom. Het is een brommertje! En als je een brommertje hoort, dan kan het niet lang duren voordat je een weg tegenkomt. En inderdaad. Na vijf minuten sta ik naast een zanderige weg. Ik kan een kreet van verrukking niet meer onderdrukken. Nu is het gesneden koek. GPS aan, naar ‘thuis’ navigeren, douchen, drinken, eten, slapen. Klaar.

Twintig minuten later loop ik versuft door Tembak. De mensen die groeten me. Ik grijns terug en zwaai. Alles aan mij is een wrak: mijn t-shirt, mijn schoenen, mijn lichaam. Zelfs de batterij van de GPS is leeg. Een beetje avontuur moet er toch ook zijn.

Op mijn bord ligt een gefrituurd visje. ‘Itu ikan di sini?’ vraag ik. Ja, dit is een visje uit de vijver naast het huis. Dezelfde vijver waarin mijn uitwerpselen heen worden gespoeld als ik doortrek. Dezelfde vijver waar mijn synthetische shampoo-resten terecht komen. Maar ach, de Noordzee is natuurlijk ook niet echt een helder soepje. Ik neem een hap. Het smaakt heerlijk.

dinsdag 6 november 2012

Dromen en Spoken



Tembak, 2 November - 20:10 

Twee jaar geleden, in een dorpje in een naburig district, vingen de jagers een gehelmde neushoornvogel. Omdat er voor de hoorns van deze vogels hoge bedragen worden neergeteld, waren de Dayaks erg tevreden met hun vangst. In de nacht verscheen de gehelmde neushoornvogel in de dromen van de inwoners van het dorp. ‘Als jullie mij, of een van mijn soortgenoten nog een keer doden,’ kraste hij, ‘dan zal dit hele dorp met al jullie gronden vergaan.’
Klapwiekend verdween de vogel in de duisternis van de droomwereld van de Dayaks. In de dagen daarna besloten de inwoners dat er vanaf dat moment een taboe zou rusten op het schieten van neushoornvogels.

In de buurt van het mysterieuze regenwoud en vreemd gevormde heuvels zijn geesten en visioenen een stuk relevanter dan in het stedelijke Nederland. Wie weet wat er ’s nachts over de rijstvelden kruipt of wat er allemaal ronddoolt tussen de eeuwenoude bomen? Als het hier donker wordt, wordt het echt donker. Tussen de enkele spaarlampen die de ramen van de huizen verlichten zit een inktzwarte leegte. Toch weet je dat er van alles wakker is in die duisternis: het gekwaak, gepiep, gesis en getjirp duiden erop dat het woud is gevuld met activiteit.

Hoewel ik hier nog geen wilde dieren heb gezien die groter waren dan een kip, stikt het hier van de kleinere monstertjes. De zoogdieren zijn nog wel schattig, maar die moeten op hun tellen passen. Als er een rat het huis durft te betreden, dan grijpen de Dayaks naar hun parang (kapmes) en zetten onmiddellijk een klopjacht in. Je hebt miljoenpoten, die zich snel oprollen als je ze aanraakt, er zijn bloedzuigers, bidsprinkhanen, tsjiktsjaks, skinken, vliegende hagedissen… Dan zijn er nog alle insecten die je in Nederland ook hebt, maar dna vier keer zo groot.
 
Gisteren, toen ik op mijn kamertje achter mijn laptop zat te typen, ontdekte ik een sprinkhaan zo groot als een afstandsbediening in een hoek van mijn kamer. Het idee dat deze opgedrongen huisgenoot een nacht in mijn kamer zou verblijven was ronduit onprettig, dus ik moest en zou een manier vinden om het beest naar buiten te krijgen. Na een deskundige overweging besloot ik dat de methode met de hoed waarschijnlijk de meest kans van slagen had. Mijn hoed was immers het enige ding dat over de sprinkhaan heen paste.

Langzaam en op mijn hoede besloop ik het insect van achter. Met één beweging duwde ik mijn hoedje (die al veel geleden heeft tijdens deze reis) over het insect dat –tot mijn schrik en verbazing- onmiddellijk begon te schoppen en te zoemen. Uit ontsteltenis verminderde ik mijn grip en gaf het monstertje de gelegenheid om met een enorme sprong te ontsnappen. Als een soort radiografische helikopter koos de sprinkhaan het luchtruim op zoek naar een nieuwe landingsplek.

Twee pogingen later had ik het dier dan toch echt te pakken. Met een zwiep gooide ik hem het raam uit, de duisternis. Ik sloot de houten ramen en ging naar bed. Onder de klamboe droomde ik van lieve dieren en van Maria.

zondag 28 oktober 2012

George of the Jungle


Het Dorpje Tembak



Tembak - Een van de vele brommertjes
Halverwege de rit vraag ik Mus, de chauffeur, of hij even wil stoppen. Mijn endeldarm staat - voor de vierde keer vandaag - op knappen. We stoppen. Haastig hups ik de palmolie-plantage in om mijn behoefte te doen. Hopelijk zit er onder al die bladeren geen pofadder verstopt. Ik hurk neer achter een boom en slaak een zucht van verlichting. Ik heb alleen niets om het mee af te vegen dus grijp ik een paar grote bladeren die toevallig in de buurt staan.
Dan besef ik opeens dat ik dit soort bladeren eerder heb gezien… Ja hoor, als ik de plant beter bekijk zie ik dat ik mijn eerste vleesetende bekerplant heb gevonden. Midden in een palmolieplantage! Laat dat nu net de plant zijn waarmee ik zojuist mijn billen heb afgeveegd.

Palmolieplantages zijn de grootste bedreiging voor het regenwoud in Borneo. Grote stukken bos worden gekapt voor oliepalmen. Deze olie schijnt in een kwart van alle producten in de Nederlandse supermarkt te zitten. Om in Tembak te komen moet ik twee uur lang door een plantage reiden. Het is een saai stuk, dus de vondst van de bekerplant is een welkome afleiding.

Common Sun Skink
Het klopt wel, denk ik. Bekerplant groeien op voedselarme bodem, bij een hoge vochtigheidsgraad. De bodem van zo’n plantage is natuurlijk erg schraal want er moet veel kunstmest bij die palmen. Ik loop terug naar de wagen en laat Mus  een stukje van de bekerplant zien.  ‘Ah ya, entunyuk. Local name.’ zegt hij. Dan weten we dat ook weer.

Een uur later veranderd het uitzicht compleet. De plantages maken plaats voor stukjes secundair regenwoud afgewisseld met rubberplantages. Het landschap word ook meer heuvelachtig en bepaalde afdalingen zijn zo steil dat ik onbewust mij aan de wagen vasthoud. Nog een kwartier later zijn we in Tembak.

Om een context te geven voor mijn volgende verhalen zal ik nu een beschrijving geven van mijn eerste indrukken in Tembak. Er wonen naar schatting 300 mensen in dit dorp. Ze wonen in kleurige huisjes met tuintjes vol met bloemen en fruitbomen. Er scharrelen kippen rond en hier en daar licht een kat of hond te slapen. Kinderen spelen op straat met zelfgemaakte tollen en autootjes of met knikkers. Een of twee keer per dag gaan ze zwemmen in het beekje dat door het bos stroomt. Het is een heerlijk stroompje met een zanderige bodem en helder, koel water. In de verte kun je de bergen zien, die vreemde vormen hebben, alsof ze daar zijn neergezet door reuzen.

Tengkawan-boom
Overdag werken de mensen op de rijstvelden of in hun rubber plantages. ’s Avonds komen ze bij elkaar. Ze kijken dan tv, of ze maken samen muziek of ze wisselen verhalen uit. Soms drinken ze een glaasje arak maar meestal wordt er thee gedronken. Veel oudere mensen hebben rode tanden van het kauwen op betelnoten. De oudere huizen zijn compleet gemaakt van hardhout en staan op korte palen, ongeveer een meter, boven de grond. Het voormalige dorpshoofd heeft, vanwege al die lange, Hollandse studenten, de deurpost met twintig centimeter verhoogd, zodat niemand zijn kop hoeft te stoten.

Ik heb een ruime kamer met een raam, een matras, een bureau en soms elektriciteit. Soms zitten er gekko’s op de muur die uit zijn op de muggen en andere insecten die hier zitten. Zelf eet ik drie keer per dag rijst met groente. Soms zit er een ei bij, of wat kroepoek of tempé. Er is –de hemel zij geprezen-  (oplos)koffie en cappuccino. 

Het enig dat ze hier niet hebben is internet of mobiel bereik. Dit betekend dat ik een keer per week of een keer in de twee weken naar Sintang moet om te e-mailen. Een mens kan natuurlijk niet alles hebben. Soms lukt het om een sms te sturen, maar daarvoor moet ik wel een stukje de heuvel op lopen.

Hoewel de omgeving prachtig is en het eten goed zijn het beste van alles de mensen die hier wonen. Die zijn buitengewoon vriendelijk en behulpzaam en ze hebben een goed gevoel voor humor. Vooral de kinderen hier zijn bijzonder. Ze kunnen uren zoet zijn met elkaar, ze maken zelden ruzie en huilen haast nooit.  Iedere keer dat ik langsloop roepen ze: ‘Mister Yansen, Tsulap!’. Daarmee vragen ze of ik een goocheltruc wil doen. Meestal zeg ik dan: ‘Tidak, munking nanti’; ‘Nu niet, wellicht later.’ Soms laat ik een knikker verdwijnen. Soms goochel ik hem ook weer terug.

De Dayaks hier kunnen dit leven leiden omdat ze nooit in de verlieding zijn gekomen hun land te verkopen. Tien tot twintig jaar geleden hebben ze de palmolie bedrijven de deur gewezen en nu plukken ze daar (letterlijk) nog steeds de vruchten van. Tembak is daarom ook een bijzondere, prachtige plek. Een klein paradijs waar je je zo thuis voelt en waar nog zo vele te ontdekken valt. 

zaterdag 20 oktober 2012

de schorpioen in de kooi


Sintang, 21 oktober, 12:00

‘Kom, dan laat ik je nu de dieren van de pastoor zien.’ Zegt Jean. We lopen door de schitterende tuin die de pastoor eigenhandig heeft aangelegd. De tuin heeft een Britse structuur maar is gevuld met tientallen tropische planten waarvan ik slechts een paar eerder heb gezien.

We komen bij de poort van het hek, die versierd is met Indonesische motieven. In een ruime kooi zit de eerste aap van deze reis: een mannetjes gibbon. Hij is duidelijk blij om ons te zien want hij begint enthousiast koprollen te maken en slingert als een sneltrein door de kooi. Jean loopt naar het verblijf om het dier te kietelen. De gibbon piept en knarst al is het voor mij onduidelijk of hij nou wel of niet tegen kietelen kan.

De volgende halte zijn de orang-oetans. Die zitten in een soort ‘rijtjeshuis’ kooien. Ik heb zelf twaalf dagen quarantaine tijd dus mag ik deze dieren niet aanraken. Dat is maar goed ook, blijkt later, want mijn spijsvertering ligt overhoop. De eerste orang-oetan is Penai, hij komt geïnteresseerd naar ons toe en wijst naar het stukje plastic dat Jean in zijn handen houdt. ‘Wil je dit hebben?’ vraagt Jean, ‘natuurlijk, hier alsjeblieft.’ De mensaap grijpt het papiertje en besnuffeld het. Nadat hij er achter is gekomen dat er geen kruimeltje meer in het papiertje zit, geeft hij het terug aan Jean.

In de tweede kooi moet ik even goed kijken voordat ik de orang-oetan zie. Hij ligt achter een autoband in een hoopje te slapen op de grond. Dit dier hebben de pater en Jean geconfisqueerd van een particulier die het dier veel te weinig eten gaf. Ook zijn delen van zijn rechterarm verlamd zodat hij met zijn mond zijn arm moet optillen om hem te kunnen gebruiken.

Opeens zie ik dat achter in de kooi van dit arme dier nog een tweede dier rondloopt. Het is een keizerschorpioen zo groot als mijn hand. ‘Kijk eens wat een grote schorpioen!’ zeg ik. ‘Oei, is dat niet gevaarlijk?’ vraagt Jean. ‘Nou, schorpioenen zijn natuurlijk heel erg giftig.’ zeg ik. ‘Wacht,’ zegt Jean, ‘dan haal ik de verzorger erbij.’

Een tijdje later voegt een jonge Indonesiër zich bij ons. Hij lijkt mij erg jong, maar ik vind het sowieso lastig om Aziaten op leeftijd te schatten. De knul gaat de gooi in, gewapend met een takje. De schorpioen geeft zich niet zo maar gewonnen. Zijn taaie pantser bied lang weerstand tegen de punt van de stuk. Maar het duurt niet lang of de schorpioen is onschadelijk zodat ik hem van dichtbij kan bekijken. Schorpioenen zijn dieren die al heel erg lang op de wereld rondlopen en die de laatste miljoen jaar nauwelijks van uiterlijk zijn veranderd.

We bekijken de andere orang-oetans en Jean laat mij ook de krokodil van de pastoor zien, een onechte gaviaal met een scheve bek. Aan de eettafel vertelt Jean de pastoor over de schorpioen. 

De hobbelige weg naar Sintang


Jakarta, 19 oktober, 08:00

‘This is your ticket, your expected at the airport at 09:00 am.’ Is de de tekst die ik lees in mijn bed in hostel ‘6 degrees’ in Jakarta. Tot mijn schrik besef ik dat ik slechts een uur de tijd heb om mijn tas in te pakken, te ontbijten uit te checken en een taxirit te ondernemen naar de luchthaven. Onmogelijk. Zo gestrest als een slurfhond haast ik mij naar beneden. Een kwartier later zit ik in een taxi.

Ik ken vrijwel niemand die een goed woordje overheeft over Jakarta en na mijn ervaringen ben ik niet van plan hierop een uitzondering te vormen. Het verkeer is het ergst van alles. Zolang er file is, is het nog veilig te noemen. De taxi’s zijn erg goedkoop, maar daar betaal je dan ook voor. Hoe ben ik in deze situatie beland. Om 09:15 (am) sta ik  -wonder boven wonder- op de luchthaven. Het is dan wel de verkeerde terminal maar nog een kwartier later is ook dat probleem verholpen.

Alle meditatieoefeningen ten spijt ben ik toch een beetje zenuwachtig op dit moment. Gelukkig blijkt er niets aan de hand. Ik kan gewoon inchecken met mijn bagage. In het vliegtuig ga ik, toch wat oververhit, op mijn stoel zitten. Het dametje naast me wijst naar mijn hoedje. ‘You, Justing Bieber’ zegt ze. Kom op zeg…

In Pontianak zit ik op de achterbank van een stoffige grijze lambourgini (oid) terwijl een snel-gemaakte vriend mij naar het carpoolstation brengt. ‘You will be in a car with many friends and i twill cost you 200.000 rupiah’ legt hij uit. Dat klinkt goed. Ik moet wel wachten, zegt hij, totdat al die vriendjes zich verzameld hebben, maar gelukkig is er een restaurantje.

Het duurt vijfeneenhalf uur voordat alle vriendjes zich verzameld hebben. Al die tijd zit ik in dit restaurantje met wat mannen die ik amper kan verstaan. De serveerster brengt mij een portie nasi goreng ayam en wijst naar mijn hoedje: ‘ah, Justing Bieber.’ Wat hebben die mensen hier toch?

Om 18:30 vertrekken we naar Sintang. Het stortregent en de wegen zijn onverlicht. In het licht van de koplampen kan ik soms wat stukjes bos en plantages zien. De chauffeur is een kunstenaar. Met een geweldige handigheid manoeuvreert hij de auto langs alle gaten in de weg, door alle bochtjes en langs al het andere verkeer. Ik zit tussen twee mollige Indonesische mannetjes geplet en ben gedwongen om continu hetzelfde suffe liedje met semi-romantische popliedjes te luisteren. Op gegeven moment krijg ik een ingeving: ‘Apa nama artist?’ vraag ik. ‘Ah, artist, music, yes this Justing Bieber’  

Om vier uur in de ochtend sta ik bij het huis van de pastoor.

woensdag 17 oktober 2012

Vagevuur van Turks Fruit


Istanbul, dinsdag 16 oktober

Het is vier uur in de ochtend, lokale tijd. Ik zit versuft op een bankje in de vertrekhal van Ataturk International Aiport. Links van mij zitten wat mannetjes die duidelijk op weg zijn naar de hadch. Rechts van mij staat een grote weegschaal waarmee kan worden bepaald of de bagage niet te zwaar is. Mijn handbagage weegt vijfeneenhalve kilo, mijn hoofdbagage, die ik de dag ervoor al gewogen had bleek uiteindelijk 17.2 kilogram. Ik had dus nog meer veldgidsen kunnen meenemen als ik had gewild.

Waar ik gisteren ook met een lichte schok achter kwam was dat mijn eigen gewicht het afgelopen jaar flink is toegenomen. Ik woog aanvankelijk 67 kilo en nu weeg ik 74. Al die Grimbergen Tripels hebben duidelijk hun tol geëist. Gelukkig ben ik niet de enige die inzit met zijn gewicht. De bagage-weegschaal naast mijn bankje wordt door de Turken minstens zo vaak gebruikt om hun eigen gewicht te meten als om te kijken of ze niet te veel hebben ingepakt.
Vier uur in de ochtend is een onmogelijk tijdstip. De avond is al afgelopen maar de ochtend is nog lang niet begonnen. Het supermarktje naast de uitgang is nog niet open en de metro’s rijden nog niet. Ik probeer wat te lezen in ‘Max Havelaar’ waar de regels dringen niet echt tot mij door. Op mijn laatste dag in Heemstede heb ik zes dunprints bemachtigd van klassieke werken: Tolstoj, Foer, Bill Bryson… Zo kan ik in de rimboe toch nog wat literaire ontwikkeling meepakken.

Na twee uur op een bankje gezeten te hebben loop ik opnieuw naar het metrostation dat nu wel geopend is. Als het een beetje mee zit kan ik de zonsopgang meemaken op het plein tussen de Blue Mosque en de Aya Sofia. In de metro zitten de meeste Istanbulli te slapen. Langzaam wordt het lichter en ik herken wat gebouwen van de vorige keer dat ik Istanbul heb bezocht. Zeven dagen bracht ik toen maar liefst in deze stad door en nu, twee jaar later, is de binnenstad nauwelijks veranderd. Istanbul is een complexe maar interessante en redelijk betrouwbare stad. Alles vindt er gezamenlijk plaats - kledingwinkels vind je in de buurt van andere kledingwinkels; specerijen vind je in de buurt van andere specerijen, veerboten bij veerboten, zwerfhonden bij zwerfhonden, en zo voorts.

Ik heb vijftien uur de tijd om iets te doen in de stad voordat ik weer terug moet naar de luchthaven. De logische eerste stap is natuurlijk het bemachtigen van een ontbijt met koffie. In de buurt van de universiteit vind ik een geschikt terrasje waar de lokale studenten kauwen op hun stokbroodjes met Nutella. De ober vraagt meteen of ie mijn hoedje even op mag. Dat mag. Onmiddellijk verdwijnt ie en even denk ik dat hij ook niet meer terug zal komen. Maar gelukkig staat hij tien minuten later weer bij mijn tafel. Met ontbijt (omelet), met koffie en met mijn hoedje.

Omdat ik in het vliegtuig nauwelijks geslapen heb besluit ik het rustig aan te doen. Ik slenter over de Grand Bazaar en de kruidenmarkt en ik ga een tijdje liggen op een bankje in de tuinen van het Topkapi paleis terwijl ik knabbel op een stukje Turks fruit. Opeens wordt mij duidelijk waarom er zoveel zwerfkatten rondlopen in Istanbul: ze worden gewoon gevoerd met eersteklas chicken-döner!

Hoewel ik eindeloos heb rondgeslenterd en ik toch wel erg moe ben blijkt er gewoon geen eind te komen aan de tijd. Het is nog maar twee uur en als ik om zes uur op het vliegveld ben heb ik nog zes uur voordat de gate open gaat. Ik besluit dat het dan maar tijd wordt om een boottochtje te maken. Ik koop twee muntjes voor de veerpont over de Bosporus (drie Turkse Lire per stuk, omgerekend ongeveer anderhalve euro) en ik geniet van het heerlijke tochtje over het water. Je krijgt pas werkelijk een idee van hoe groot Istanbul is als je om je heen kijkt als je op het water zitten. Eindeloos ver sterkt de stad zich uit: minaretten, paleizen, wolkenkrabbers en… een zeilboot die verdacht veel op de Nieuwe Amsterdammer lijkt. Als ik aan de overkant ben zet ik voor het eerst tijdens deze reis voet op Aziatische grond. Ik drink een kopje thee en keer terug naar Europa.

Nu mijn benen weer op kracht zijn gekomen wordt het tijd voor een tochtje over de brug die beide oevers van de gouden hoorn met elkaar verbind. Op de brug staan tientallen vissers hun hengels uit te werpen. Het is een ideale plek omdat de brug voor een groot deel vanonder dicht is gemaakt. De vissen kunne dus geen kant meer op. De oogst is echter mager; vissen groter dan 20 cm heb ik niet gezien.

Uiteindelijk nader ik het zeilschip dat ik vanaf de veerpont in de verte zag, en wat blijkt? Het is de Nieuwe Amsterdammer! Ik zal er maar niets over zeggen tegen de Dayaks… We komen eraan!

Update: inmiddels zit veilig in een hostel in Jakarta.

maandag 15 oktober 2012

Vetbomen en Dajaks: wat ik ga doen op Borneo


Light Red Meranti
Heemstede, maandag 15 oktober

Ik ben de enige van het gezin die nog niet in Indonesië is geweest. Mijn ouders en mijn broer bezochten twee jaar geleden Sumatra, Java en Sulawesi. Mijn zus bezocht toen Bali.

Hoewel mijn ouders beiden vinden dat ik naar Kalimantan ga, houd ik vol dat mijn reisbestemming Borneo is. Staatkundig gezien hebben zij gelijk, geografisch gesproken heb ik gelijk. Op mijn veldgidsen staat niet: ‘Vogels van Kalimantan’ of ‘Veel voorkomende slangen van Kalimantan’. Dieren houden zich niet aan dit soort grenzen en zij hoeven dan ook geen visa aan te vragen(mazzelpikken). Ze zijn alleen begrensd door natuurlijke barrières: de bosrand, de kuststrook, het gebergte. Op mijn boekje staat dan ook: ‘Snakes and other reptiles of Borneo’.

Ongeveer anderhalf jaar geleden zag ik een filmpje op www.ted.com genaamd ‘Willie Smits restores a rainforest’. De naam ‘Willie Smits’ klonk bekend en ik realiseerde mij dat ik die al eens had gelezen in het stukje over orang-oetans in de gidsenmap van de Apenheul. De toespraak van Dr. Smits was er eentje van het kaliber ‘recht uit het hart’. Deze man had eigenhandig honderden orang-oetans en andere dieren uit miserabele omstandigheden gered en was bezig tropische bossen aan te planten samen met de lokale bevolking. Het zag er allemaal wonderbaarlijk en compleet uit.

Nog geen maand later liep ik Dr. Smits pardoes tegen het lijf in de Apenheul. Hij stond in zijn eentje wat kunstwerken te bestuderen in de foyer van het hoofdgebouw. Later in de middag zou hij samen met schoolkinderen naar de orangs gaan en zou hij daar wat over zijn projecten vertellen. Ik vroeg hem of ik daar bij mocht zijn. ‘Maar natuurlijk!’ antwoorde hij allervriendelijkst. Nadat ik een collega-gids had verzocht om de boel voor mij waar te nemen, haastte ik mij naar het orang-oetan verblijf. Daar stond Willie te vertellen over de verwoestende kracht van palmoliebedrijven en zijn oplossing voor de ontbossingsproblematiek: palmsuiker. Er stonden ook wat andere studenten bij de stand. Toen ik vroeg wat zij deden, vertelden ze mij dat ze op Borneo veldonderzoek deden voor een van Willie’s projecten.

Diezelfde avond mailde ik de voorzitter van Orang-Utan Outreach of ik niet ook stage kon lopen bij een van hun projecten. Het antwoord was positief. Op de vraag wat ik dan voor hen kon doen kwam alleen geen antwoord. Dat kwam pas een dik jaar later. Het probleem was dat er heel veel te doen was en dat ik nogal breed ben opgeleid.

 Uiteindelijk hebben we besloten dat ik een drietrapsraket ga afschieten. Het eerste deel bestaat uit het meten van de aanwas en productie van Shorea stenoptera, ook wel de ‘light red meranti’ genoemd. Deze boom maakt een soort nootachtige vruchten die vol zitten met olie. Deze olie wordt veel gebruikt in cosmetische producten. De Dajaks zouden best een goed inkomen kunnen verdienen als deze bomen op wat grotere schaal worden geplant. Omdat deze soort daar van nature voorkomt en het best groeit in gemengd bos, is het ook beter voor de natuur dan de palmolie die nu op grote schaal wordt verbouwd.

Het tweede deel van mijn opdracht bestaat uit het opknappen en aanvullen van een ‘tree nursery’; een plek waar zaailingen kunnen opgroeien die we, als ze groot genoeg zijn, gebruiken voor herbebossing. Zo staan er al flink wat zaailingen van suikerpalmen, maar ook rubber, papaya’s en een vrucht waar ik erg nieuwsgierig naar ben: de durian.

Het laatste deel van mijn opdracht is het bestuderen van de verschillende manieren waarop de Dajaks hun land gebruiken. Waarom hebben sommige Dajaks hun land aan oliepalmbedrijven verpacht, terwijl anderen dezelfde bedrijven hardhandig de deur wijzen? Van wie zijn die shorea’s eigenlijk?

Dus: vetbomen, zaailingen en landgebruik. Dit wil ik allemaal gaan doen in West-Kalimantan. Sorry. Borneo... 

vrijdag 5 oktober 2012

Chaos der Spullen


Wageningen, maandag 8 oktober

Mijn kamer aan de Haarweg, waar ik nu vier jaar heb gewoond, is altijd een plek geweest waar ik mij thuis voelde. Als er psychologen waren die aan de inhoud van deze kamer zouden proberen mijn ziel te doorgronden, dan zou die psychologen een zware taak te wachten staan. Ja, dat ik van dieren houd zou ieder die mijn kamer betrad onmiddellijk opvallen. De posters van allerlei apen en andere dieren liegen er immers niet om. Een hang naar het exotische zou een volgende conclusie kunnen zijn: dit bewijzen de Tibetaanse vlaggetjes, de bekerplanten, de kleine snuisterijen uit Guatemala, Brazilië, Zambia, Marokko…

Maar dan… verscheidene goochelrekwisieten duiden op een sinistere hobby. Antieke sprookjesboeken zouden zijn verzameld vanuit een verlangen naar de mystiek. Maar wat doet die elektronische vliegenmepper in het huis van een dierenliefhebber? En wat te maken van dat kleine, roze poedeltje boven op de boekenkast? Waarom liggen er twee volledige sets aan croquet-equipement onder het bureau? Waarom staat daar een ingelijst briefje met de tekst ‘NARG’?

Ik heb nu geen tijd om in te gaan op al deze curieuze zaken; het enige wat ik hier mee wil zeggen is dus dat ik mij op deze kamer altijd als een vis in het water heb gevoeld. De staat van de ruimte varieerde altijd tussen ‘enigszins rommelig’ en ‘buitengewoon rommelig’. Zo rommelig als het nu is, is het echter zelden geweest. Dat komt natuurlijk omdat ik deze ruimte binnenkort moet onderverhuren en ik mij heb voorgenomen alle persoonlijke spullen ergens anders onder te brengen. Daarnaast ben ik aan het inpakken voor mijn reis naar Borneo.

In de 90-liter backpack van LoweApline zitten, naast de gebruikelijke zaken, een paar attributen waarvan ik niet kan wachten tot ik ze echt nodig ga hebben. Ten eerste mijn gloednieuwe laarzen (groen, met inlegzooltjes), de zwaarste spullen uit mijn bagage. Ik heb veldgidsen voor zoogdieren, vogels, slangen en bekerplanten ingepakt  evenals een gloednieuwe cameraval waarmee ik hoop wat grotere dieren te kunnen betrappen.

Ik heb de reisapotheek van de LonelyPlanet overgenomen, aangeschaft en aangevuld met wat suggesties van Redmond O’Hanlon die hij doet in zijn boek ‘Naar het hart van Borneo’. Denk hierbij aan antischimmelgel die bedoeld is voor de uitwendige organen die hier gevoelig voor zijn. Misschien blijken al die spullen overbodig, maar dat zien we dan wel weer.

Tot slot staat op mijn paklijst natuurlijk de spullen die ik nodig heb voor mijn veldonderzoek. Denk aan een GPS, een boomprisma, een diameterlint en een laserpistool om de hoogte te meten. Ik neem ook een klein tasje met goocheltrucs mee want zo te horen zijn Dayaks dol op goocheltrucs. Over negen dagen vertrek ik…

donderdag 20 september 2012

Een Papiertje Tekort

Den Haag, woensdag 19 September, 12:00

Inmiddels ben ik al in het bezit van een vliegticket (Turkisch Airlines; de goedkoopste), een reisverzekering (Unive) en een hele leuke reeks vaccinaties: Buiktyfus, Hepatitis B (2x) en Rabiës (3x). Ik heb 50 euro uitgegeven aan 12 pillen Malarone, die dus meer kosten dan de rest van mijn reisapotheek bij elkaar. Wat nog ontbreekt aan dit rijtje, mijn huidige missie, is een socio cultural visum voor de eerste zestig dagen. Een visum is niets anders dan een entreekaartje voor buitenstaanders; een soort vuurproef of je het wel waard bent om op Indonesische bodem rond te slenteren. Je krijgt het niet zomaar; je moet kunnen bewijzen dat er iemand in Indonesië is die je verwelkomd, dat je geen boef bent, dat je alles zelf betaald en dat je op een bepaald moment ook weer vertrekt. Deze papieren moet je allemaal naar Den Haag brengen zodat ze op de ambassade, binnen drie werkdagen en op ambachtelijke wijze, een visum voor je in elkaar knutselen.

Ik stap uit bij halte Banstraat (bus 24) in Den Haag. Als het goed is zit de ambassade hier twee minuten vandaan. Twintig minuten later heb ik de Noorse, Russische, Surinaamse en Arubaanse ambassades al gezien en ben ik terug bij de bushalte. Bij de tweede poging is het raak. De Indonesische ambassade zat gewoon naast de Zwitserse ambassade. Had ik kunnen weten. Ik teken het gastenboek en leeg dankbaar mijn blaas in de eerste wc die ik kan vinden. Terwijl ik rondkijk lijkt het mij duidelijk dat de Indonesische overheid haar ambassades zelf moet betalen. De meubels komen duidelijk uit de jaren tachtig en de batterijen van het security-poortje zijn ongetwijfeld al een decennium leeg. In het hele gebouw hangt de vage geur van nasi goreng.

De visum-administratie werkt met een dubbel oproep systeem: ze roepen je naam om én je moet een nummertje trekken. Ik ben al snel aan de beurt. "Johannes Heijn!" roept het dametje achter de balie. Ik moet mijn paspoort en mijn reispapieren tussen het kleine gleufje tussen de ruiten proppen. Terwijl het dametje de papieren bestudeert kan ik het kantoor achter de balie bestuderen; het is kaal maar heeft toch iets huiselijks. Op een tafel licht een baby die gekieteld wordt door een van de medewerkers. Achter een oude PC zit een jongen rustig wat namen over te typen. Het dametje is klaar. "Ja..." zegt ze, "dit en dit is goed. Maar waar zit de kopie van het paspoort van je sponsor?".

Een kopie van het paspoort van mij sponsor. Natuurlijk was er iets dat ik over het hoofd had gezien. Ik had natuurlijk wat beter moeten lezen, wat er allemaal op de website stond. Het dametje wijst naar een computer, achter in de wachtruimte. "Je kunt daar contact opnemen met je sponsor. Zeg hem dat hij een kopie stuurt. Je kunt hem dan hier uitprinten." Beduusd loop ik naar de computer, al weet ik dat het eigenlijk zinloos is. Mijn sponsor zit waarschijnlijk nog in het vliegtuig en zelfs als hij al geland is dan heb je nog te maken met het tijdsverschil. De kans dat ik vandaag mijn visum krijg daalt tot ver onder de één procent. Ik log in op de PC en stuur een mailtje naar de voorzitter van mijn organisatie.

Vijf minuten later begint mijn aftocht terug naar Wageningen. Van pure sikkeneurigheid peuter ik het korstje van mijn linker wijsvinger. Ik kauw op een eierkoek en kijk door het raam. De volgende ochtend krijg ik een mailtje met daarin een kopie van het paspoort van mijn sponsor. Volgende week zal ik opnieuw naar Den Haag moeten. Deze vuurproef is voorlopig nog niet doorstaan.



dinsdag 18 september 2012

Tijgers


                                                  Drie tijgers in Blijdorp doen Hopie!

Aankondigheden

Dit is het digitale reisdagboek van de beruchte Wizard Ape. Volg hem tijdens zijn markante avonturen op Borneo!