Een maand geleden
nam mijn leven een dramatische wending. Ik verliet de regen en de hitte van
Borneo om er voor mijn zieke vriendin in Nederland te kunnen zijn. Een maand
later bleek dat, ook al was Maria nog steeds ernstig ziek, het voor iedereen beter
zou zijn om terug te gaan naar Borneo. Het onderzoek vereiste dat ik snel terug
zou gaan. Van hogere hand werd besloten dat ik aanvankelijk niet naar Tembak,
het dorp waar ik in november en oktober heb gezeten, maar naar een ander dorp
zou gaan. Zo pakte ik op zondag 20 januari ’13 het vliegtuig naar Kuala Lumpur
en verruilde de bittere koude en de sneeuw voor de warmte van het dorp
Ensaidpanjang.
Vroeger, toen de
Dayaks nog rondzwierven in het oerwoud, bouwden ze lange houten huizen op palen
waarin ze met het hele dorp in woonden. Tegenwoordig zwerven er nog maar een
paar Dayaks door het oerwoud en zijn de lange huizen waarin ze wonen een
zeldzaamheid geworden. Het longhouse van Ensaidpanjang is een van de laatste
bouwwerken van zijn soort in West-Kalimantan. Ik heb het nog eens nagemeten en
ik kan bevestigen dat het huis waarin ik nu woon 111 meter lang is. Het bestaat
volledig uit houten onderdelen en bied een woonruimte aan 26 families.
Het is werkelijk
bijzonder om door zo’n gebouw heen te lopen. De ene helft bestaat uit een lange
galerij waar de mensen werken en samenkomen, de andere helft zijn cabines van
28 m2 waarin de families afzonderlijk slapen en eten. Er is altijd wel
bedrijvigheid in dit huis: kinderen rennen over de houten planken, honden rusten
in de deurpost en de dames werken aan hun Ikat-doeken. Er staat altijd wel
ergens een radiootje aan. De deuntjes worden vrolijk mee geneuried.
Als je eenmaal
bekomen bent van het innemende karakter van dit huis, begint het je pa op te
vallen dat de locatie eveneens prachtig is. De omgeving rond het longhouse
bevat moestuintjes, struiken met schitterende bloemetjes, een riviertje waarin
je heerlijk kunt zwemmen en een statige berg op de achtergrond. Het lijkt te
mooi om waar te zijn.
Als gast in het longhouse
ben je de koning te rijk. Er wordt drie keer per dag voor je gekookt, je kleren
worden gewassen en je krijgt een eigen kamer toegewezen met een keukentje en
een toilet. De mensen hier zijn enorm vriendelijk en behulpzaam en hebben een
goed gevoel voor humor. Een betere plek kun je als onderzoeker niet hebben.
Ik wordt elke
ochtend rond 6 uur wakker. Ik stap uit bed, neem een douche en wacht op mijn
ontbijt. Rond 8 uur ga ik naar de rubberplantages om tengkawan bomen te meten
en rond twaalf uur ben ik weer terug voor de lunch. Daarna doe ik een
middagdutje en van 2 tot 5 ga ik weer naar het bos. Als ik terug ben neem ik
een duik in de rivier met de kinderen. Ik speel van de rol van de hongerige
krokodil die de kinderen te pakken probeert te krijgen. Na het avond eten
verzameld het hele dorp zich rond de televisie. Meestal doe ik dan een paar
goocheltrucs en ga daarna naar mijn kamer op een filmpje op de laptop te
kijken. Soms doet de generator het niet en dan probeer ik (heel romantisch) een
boekje te lezen bij het licht van een olielamp.
Onder deze
omstandigheden is het erg makkelijk om de bittere dagen in Nederland te
vergeten. Toch zijn mijn gedachten vaak bij Maria en hoe ze aan het vechten is.
De afgelopen tijd heb ik gemerkt dat de hemel en de hel niet ver bij elkaar
vandaan liggen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten