‘Wacht even, dan
doe ik mijn schoenen uit.’ Zeg ik tegen Benjamin, die vandaag mijn gids zal
zijn. Hij staat al tot zijn knieën in het water en rookt een sigaretje. Bijna
alle Dayaks roken; het brengt rust in de tent en helpt om de muggen op afstand
te houden. ‘Doe die schoenen maar in mijn mandje’ zegt Benjamin.
Op blote voeten
loop ik door het moeras dat gisteren nog een gewone rubberplantage was. Bij
elke stap voel ik eerst voorzichtig of er onder water niet ergens een kuil zit
verstopt. As ik nu zou vallen dan gaat mijn camera eraan, evenals een aantal
dure gadgets van de universiteit. Gelukkig staan de meeste Tengkawan bomen iets
hoger dan de rubberbomen en dat betekent dat op de plaatsen waar ik metingen
moet verrichten ik niet bang hoef te zijn dat mijn onderzoek in het water valt.
Na twee bomen
gemeten te hebben vraagt Benjamin welke kant ik op wil. ‘Als we deze kant op
gaan komen we bij de Tengkawan, maar als we de andere kant op komen we bij de
bekerplanten.’
Vleesetende
planten hebben niets te maken met mijn onderzoek; het is gewoon een interesse
van mij. Hier groeien bekerplanten in het wild en tot nu toe heb ik maar twee
soorten bekerplanten gezien in dit land. ‘Laten we eerst maar eens naar die
bekerplanten gaan.’ zeg ik, ‘die bomen komen later wel.’
Na een half uur
zijn we weer terug in het vloedbos. Het water staat dit keer tot boven mijn
knieën. Ik vraag mij steeds af of er geen gevaarlijke slangen in de modder
schuilen. Al snel komen we bij een groepje oude Tengkawan bomen. ‘Hoe oud zijn
deze?’ vraag ik. ‘Misschien 100 jaar.’ zegt Benjamin.
Als ik naar een
van de bomen toeloop om de diameter op te nemen schiet er opeens een pijnscheut
door mijn voet. Ik slaak een kreet en kijk omlaag. Een stuk of vijf mieren
hebben hun giftige tandjes in mijn blote tenen gezet. Ik hink vloekend terug
het water in, in een poging de andere mieren van mij af te schudden. Benjamin
valt bijna om van het lachen. Het nadeel van zo’n vloedbos is dus dat alle
insecten bij elkaar worden gedreven. Bij de volgende metingen kijk ik steeds
angstvallig omlaag of er geen bijtmieren rondlopen.
Na een stuk of
acht bomen geef ik aan dat ik genoeg van heb. We waden terug richting het dorp.
Met een stok probeer ik steeds of het wat er niet te diep is om doorheen te
gaan.
Plotseling pakt
Benajmin zijn geweer en richt deze op het bladerdak. Ik verstijf en probeer te
zien waar hij op richt. ‘Burung’ fluistert Benajmin. Gespannen wacht ik af of
er doden gaan vallen of niet. Tien seconde later laat Benjamin zijn geweer weer
zakken en zegt: ‘Dat vogeltje was zo klein, misschien wil ‘ie nog niet dood.’