Highlights

vrijdag 1 februari 2013

Follow the leader



Het bos staat onder water. Twee nachten heeft het achter elkaar geregend en al dat water kan zo snel nergens heen.

‘Wacht even, dan doe ik mijn schoenen uit.’ Zeg ik tegen Benjamin, die vandaag mijn gids zal zijn. Hij staat al tot zijn knieën in het water en rookt een sigaretje. Bijna alle Dayaks roken; het brengt rust in de tent en helpt om de muggen op afstand te houden. ‘Doe die schoenen maar in mijn mandje’ zegt Benjamin.

Op blote voeten loop ik door het moeras dat gisteren nog een gewone rubberplantage was. Bij elke stap voel ik eerst voorzichtig of er onder water niet ergens een kuil zit verstopt. As ik nu zou vallen dan gaat mijn camera eraan, evenals een aantal dure gadgets van de universiteit. Gelukkig staan de meeste Tengkawan bomen iets hoger dan de rubberbomen en dat betekent dat op de plaatsen waar ik metingen moet verrichten ik niet bang hoef te zijn dat mijn onderzoek in het water valt.

Na twee bomen gemeten te hebben vraagt Benjamin welke kant ik op wil. ‘Als we deze kant op gaan komen we bij de Tengkawan, maar als we de andere kant op komen we bij de bekerplanten.’

Vleesetende planten hebben niets te maken met mijn onderzoek; het is gewoon een interesse van mij. Hier groeien bekerplanten in het wild en tot nu toe heb ik maar twee soorten bekerplanten gezien in dit land. ‘Laten we eerst maar eens naar die bekerplanten gaan.’ zeg ik, ‘die bomen komen later wel.’

Benjamin begeleid me via een rijstveld naar het moeras waar de bekerplanten groeien. Het duurt een kwartier voordat hij ze gevonden heeft, maar mijn geduld wordt beloond. Al snel kan ik drie nieuwe soorten op mijn lijstje bijschrijven. Het zijn niet zomaar bekerplanten: dit zijn bekers met tijgerprint.

Na een half uur zijn we weer terug in het vloedbos. Het water staat dit keer tot boven mijn knieën. Ik vraag mij steeds af of er geen gevaarlijke slangen in de modder schuilen. Al snel komen we bij een groepje oude Tengkawan bomen. ‘Hoe oud zijn deze?’ vraag ik. ‘Misschien 100 jaar.’ zegt Benjamin.

Als ik naar een van de bomen toeloop om de diameter op te nemen schiet er opeens een pijnscheut door mijn voet. Ik slaak een kreet en kijk omlaag. Een stuk of vijf mieren hebben hun giftige tandjes in mijn blote tenen gezet. Ik hink vloekend terug het water in, in een poging de andere mieren van mij af te schudden. Benjamin valt bijna om van het lachen. Het nadeel van zo’n vloedbos is dus dat alle insecten bij elkaar worden gedreven. Bij de volgende metingen kijk ik steeds angstvallig omlaag of er geen bijtmieren rondlopen.

Na een stuk of acht bomen geef ik aan dat ik genoeg van heb. We waden terug richting het dorp. Met een stok probeer ik steeds of het wat er niet te diep is om doorheen te gaan.

Plotseling pakt Benajmin zijn geweer en richt deze op het bladerdak. Ik verstijf en probeer te zien waar hij op richt. ‘Burung’ fluistert Benajmin. Gespannen wacht ik af of er doden gaan vallen of niet. Tien seconde later laat Benjamin zijn geweer weer zakken en zegt: ‘Dat vogeltje was zo klein, misschien wil ‘ie nog niet dood.’

Na een half uur zijn we terug bij het longhouse. Ik trek mijn natte kleren uit en schenk mijzelf een

Ensaidpanjang


Een maand geleden nam mijn leven een dramatische wending. Ik verliet de regen en de hitte van Borneo om er voor mijn zieke vriendin in Nederland te kunnen zijn. Een maand later bleek dat, ook al was Maria nog steeds ernstig ziek, het voor iedereen beter zou zijn om terug te gaan naar Borneo. Het onderzoek vereiste dat ik snel terug zou gaan. Van hogere hand werd besloten dat ik aanvankelijk niet naar Tembak, het dorp waar ik in november en oktober heb gezeten, maar naar een ander dorp zou gaan. Zo pakte ik op zondag 20 januari ’13 het vliegtuig naar Kuala Lumpur en verruilde de bittere koude en de sneeuw voor de warmte van het dorp Ensaidpanjang.

Vroeger, toen de Dayaks nog rondzwierven in het oerwoud, bouwden ze lange houten huizen op palen waarin ze met het hele dorp in woonden. Tegenwoordig zwerven er nog maar een paar Dayaks door het oerwoud en zijn de lange huizen waarin ze wonen een zeldzaamheid geworden. Het longhouse van Ensaidpanjang is een van de laatste bouwwerken van zijn soort in West-Kalimantan. Ik heb het nog eens nagemeten en ik kan bevestigen dat het huis waarin ik nu woon 111 meter lang is. Het bestaat volledig uit houten onderdelen en bied een woonruimte aan 26 families.

Het is werkelijk bijzonder om door zo’n gebouw heen te lopen. De ene helft bestaat uit een lange galerij waar de mensen werken en samenkomen, de andere helft zijn cabines van 28 m2 waarin de families afzonderlijk slapen en eten. Er is altijd wel bedrijvigheid in dit huis: kinderen rennen over de houten planken, honden rusten in de deurpost en de dames werken aan hun Ikat-doeken. Er staat altijd wel ergens een radiootje aan. De deuntjes worden vrolijk mee geneuried.

Als je eenmaal bekomen bent van het innemende karakter van dit huis, begint het je pa op te vallen dat de locatie eveneens prachtig is. De omgeving rond het longhouse bevat moestuintjes, struiken met schitterende bloemetjes, een riviertje waarin je heerlijk kunt zwemmen en een statige berg op de achtergrond. Het lijkt te mooi om waar te zijn.

Als gast in het longhouse ben je de koning te rijk. Er wordt drie keer per dag voor je gekookt, je kleren worden gewassen en je krijgt een eigen kamer toegewezen met een keukentje en een toilet. De mensen hier zijn enorm vriendelijk en behulpzaam en hebben een goed gevoel voor humor. Een betere plek kun je als onderzoeker niet hebben.

Ik wordt elke ochtend rond 6 uur wakker. Ik stap uit bed, neem een douche en wacht op mijn ontbijt. Rond 8 uur ga ik naar de rubberplantages om tengkawan bomen te meten en rond twaalf uur ben ik weer terug voor de lunch. Daarna doe ik een middagdutje en van 2 tot 5 ga ik weer naar het bos. Als ik terug ben neem ik een duik in de rivier met de kinderen. Ik speel van de rol van de hongerige krokodil die de kinderen te pakken probeert te krijgen. Na het avond eten verzameld het hele dorp zich rond de televisie. Meestal doe ik dan een paar goocheltrucs en ga daarna naar mijn kamer op een filmpje op de laptop te kijken. Soms doet de generator het niet en dan probeer ik (heel romantisch) een boekje te lezen bij het licht van een olielamp.

Onder deze omstandigheden is het erg makkelijk om de bittere dagen in Nederland te vergeten. Toch zijn mijn gedachten vaak bij Maria en hoe ze aan het vechten is. De afgelopen tijd heb ik gemerkt dat de hemel en de hel niet ver bij elkaar vandaan liggen.