Highlights

maandag 17 december 2012

Een aap voor een aap


Sintang, 17 december – 16:00

Alle tickets zijn geboekt, alle hostels gereserveerd. Mijn bagage is ingepakt en mijn bus vertrekt over drie uur. Na twee dagen en nachten piekeren over wat het beste is om te doen heb ik toch besloten om naar Nederland te gaan om kerst te vieren met mijn vriendin Maria en mijn ouders.

Teruggaan naar Nederland klinkt als opgeven; maar zo zie ik het niet. Het is niet meer of minder dan het pad volgen waar mijn hart het meeste licht op schijnt. Natuurlijk zijn er zoveel bezwaren; natuurlijk wordt het een zware reis. Het is eenvoudig de meest waarachtige weg die ik kan kiezen.

Een van de mooiste teksten die ik ken is de vertaling van een lied van Jacques Brel door Willem Wilmink:

‘In eigen kilheid zo gevangen
dat men voor de liefde zich verschuilt
zo aan het eind van elk verlangen
Maar dan een vriend te zien die huilt’

Dat is denk ik waar het hier om gaat.

Dat ik mij tijdelijk terugtrek betekent niet dat mijn werk er hier op zit. Ik ben hier nog niet klaar en ik wil hier snel weer naar toe. Ik kan hier nog heel veel leren en er gebeuren hier veel spannende en interessante dingen.

Nog geen uur geleden werd de achtertuin bevolkt door een heel reddingsteam die een geconfisqueerde orang-oetan kwam brengen uit een dorp op twee uur afstand. Ik kon zien hoe het dier, nog maar een jong kereltje, angstig maar nieuwsgierig door de tralies van de reis-kooi heenkeek om te zien waar hij terecht zou komen. Het is een gevoel dat ik – zeker in deze tijden – heel erg goed herken.

Natuurlijk kwam hij op een goede plek terecht; want als is het orang-oetancentrum hier klein van omvang - het is een van de beste opvangcentra ter wereld. Samen keken alle apen toe hoe het nieuwe dier een plekje kreeg in het centrum. Zijn buurman, Mamat kwam hem meteen bekijken en begroeten. Ook de vrouwtjes in de andere ruimte waren erg geïnteresseerd in hun nieuwe buurman. De zon scheen terwijl het nieuwe mannetje zijn welkomstmaal van kleine banaantjes en lange bonen opat. Het was een prachtig gezicht en een mooie (voorlopige) climax van mijn tijd hier in Indonesië

Ik denk dus niet dat de mensen mij hier heel erg zullen missen, ze hebben er immers andere goeie aap voor in de plaats gekregen. Bovendien duurt het niet lang voordat ik hier weer terug ben. Maar eerst moeten we de tijd nemen om stil te staan bij wat werkelijk van belang is.

Tot snel en een fijne kerst!

zondag 16 december 2012

Gunting Rambut


Tembak, zaterdag 15 december 

Het is 11 uur in de ochtend en de zon schijnt fel op de stoffige straat van het dorpje Tembak. Ik wandel naar het kapsalon; misschien is het open en dan kan ik mijn haar laten knippen. Het is erg rustig op straat; een hond ligt te slapen op de weg, in de berm loopt een kip achtervolgd door haar kuikens. Op de terrassen van de kleurige huisjes zitten mensen rustig te praten.

Kapsalon ‘Ulan’ is open. Ik vraag aan de dame of ze tijd heeft om mij te knippen. Dat heeft ze, ik mag plaatsnemen in de wachtruimte – de straat. Ik ga zitten op een stoel aan de kant van de weg en denk even of ik dit echt wil doen. Er zijn drie redenen waarom ik mijn haar wil millimeteren. De eerste is dat het huidige kapsel te warm is, de tweede reden is omdat het huidige kapsel mij niet staat. De derde reden is omdat ik Maria wil verassen. In het ziekenhuis hebben ze een deel van haar haar er af gehaald omdat het begon te klitten. Als ze straks aankomt in Sintang kan ik haar mooi laten schrikken en krapjes maken over het feit dat we allebei zijn kortgeknipt.

‘Hoe wil je het hebben?’ vraagt de kapster in het Indonesisch. ‘Seperti Agung’ zeg ik, ‘Net als Agung.’ Agung heeft zijn haar drie weken geleden laten knippen. Ik moet even slikken als de juffrouw haar tondeuse in mijn haar zet – de laatste keer dat ik mijn haar zo kort had was ik vijftien. Daar gaat ‘ie dan. Vol angstgevoelens zie ik hoe grote stukken van mijn haar op de grond vallen. Geen weg meer terug.

Al na twee minuten is de tondeuse stuk. Dat is pech hebben, want het werk is nog niet half af. Geen paniek – daar kom t de echtgenoot van de kapster al aan met een schroevendraaier. Na dertig minuten kijk ik mezelf aan in de spiegel – het is even wennen, maar het ziet er niet slecht uit. Ik vraag de kapster hoeveel het kost. Ik moet haar 15.000 rp betalen. Dat lijkt veel, maar het is ongeveer 1,2 euro. Ik geef haar een briefje van 50.000 (4 euro). ‘Oei,’ zucht de kapster ‘ik denk niet dat ik voor dat geld genoeg wisselgeld heb.’ Het zoontje wordt erop uitgestuurd om het geld te wisselen en even later is de transactie compleet.

Als ik terug loop naar huis zie ik dat Pak Nayau mij tegemoet komt rijden. Hij ziet mij in de verte en begint te lachen. Het blijkt dat hij mij wilde zoeken omdat ik wordt verwacht voor de lunch. Nayau draait zijn motor om en keert terug naar huis. Ik volg hem te voet. De mensen in de huisjes moeten stuk voor stuk lachen als ze mij zien. Ze wijzen en ze maken knip-bewegingen met hun vingers. Ik lach en zwaai terug. Het is immers nogal komisch; zo’n korte kop.

Terug bij het huis zie ik dat Agung terug is. Ook hij moet lachen als hij me ziet. ‘Now we are twins’ zegt hij. Ik vraag hem hoe het was in Sintang. ‘Met mij gaat alles goed. Maar ik heb slecht nieuws voor je.’ ‘Wat voor nieuws?’ ‘Ach, ga eerst maar eten, ik vertel het later wel.’ ‘Wat voor nieuws?’ dring ik aan. ‘Nou, je vriendin kan niet komen. Ze is erg ziek en ze moest haar vlucht annuleren. Misschien moet je terug naar Nederland.’

Het is 35 graden, maar mijn maag voelt aan als een blok ijs. ‘Misschien kunnen we morgen naar Sintang, dan kun je met je vriendin bellen.’

Ik loop het huis binnen. Het eten staat al klaar. Ik schep op. Ik kan geen hap door mijn keel krijgen. Maria is ziek. Het gaat heel slecht met haar. Langzaam verwerk ik deze nieuwe feitjes die mijn hele werkelijkheid zo maar op zijn kop gooien. Opeens lijkt het alsof al mijn zintuigen op scherp staan. Ik voel de houten vloer onder mijn moeten. In de verte hoor ik een insect tsjirpen. In een kier in de muur zit een snoeppapiertje dat mij nooit eerder is opgevallen.

Maria komt niet. Op zich is dat iets waar ik mee kan leven. Maar door het idee dat ze nu ligt te creperen van de pijn worden er tranen uit mijn ogen geperst – ook al probeer ik ze tegen te houden. Sinds ik hier ben heb ik mij nog nooit zo ver weg gevoeld als nu. Wat weet ik eigenlijk weinig, denk ik. Ik weet alleen maar dat Maria weer ziek is en dat ze niet kan komen. Meer niet.

Een uur later lig in mijn onderbroek op bed. De deur van mijn kamer zit op slot. Eindelijk sta ik mijzelf toe om verdriet te hebben. Ik voel hoe de golven van verdriet door mijn lichaam trekken, hoe de tranen uit mijn ogen sijpelen. Ik voel hoe mijn handen trillen en hoe mijn mond meer speeksel aanmaakt. Ik kijk naar het houten plafond op mijn kamer. Ik slaak een diepe zucht en slik. Alles veranderd.


Nadat ik een beetje ben uitgerust en mezelf heb gewassen met fris koud water vraag ik Darius, een neef van de familie Nayau mij naar de ‘muggenheuvel’ te brengen. De muggenheuvel is een hooggelegen rubberplantage tegenover de basisschool. Het stikt er van de muggen maar het is een van de weinige plekken in Tembak waar je bereik hebt met je mobiele telefoon.

Op de muggenheuvel probeer ik een sms’je te sturen naar Maria. Ik zie hoe mijn telefoon zijn best doet om het bericht te versturen. Het ene streepje op het scherm dat het bereik aangeeft knippert twijfelachtig. Na een tijdje lijkt het erop dat het is gelukt. Het bericht is verzonden. Twee muggen proberen mijn linkervoet leeg te zuigen; een andere mug de rechtervoet.

Opeens wordt ik gebeld. Ik neem op. Het is Berty - de moeder van Maria. ‘Maria wilde je graag terugbellen,’ zegt ze ‘maar ze heeft te veel pijn op de telefoon vast te houden. Ja… Maria zit er nu helemaal doorheen. Misschien wil ze je toch even spreken. Wil je het proberen, schat?’ even later heb ik mijn geliefde aan de lijn. Ze huilt. Tussen het gesnik door hoor flarden van een klein stemmetje dat mij duidelijk probeert te maken dat het haar spijt dat ze niet kan komen. Ik merk hoe ik weer helemaal op scherp sta. Ik probeer om haar te zeggen dat het niet erg is, dat ik mij zorgen maak, dat ik van haar hou…

Als ik haar moeder terugkrijg aan de lijn, vraag ik haar hoe het zo is gekomen, waarom Maria net in het ziekenhuis ligt, hoe lang ze al pijn heeft. Het blijkt dat Maria al twee dagen helemaal verlamd van de pijn op bed ligt en dat geen enkel ziekenhuis haar op wil nemen. Ook hoor ik hoe Thomas haar heeft proberen te helpen en hoe hij heeft geprobeerd om hulp in te schakelen. Thomas… een warm tintelend gevoel glijd door mijn longen. Hij was er voor haar. Ik ben hem wat verschuldigd.

‘Ik denk erover om terug te komen naar Nederland.’ Zeg ik tegen Berty. ‘Hoe denkt u daarover?’ ‘Tjsa, we hadden wel een romantische gedachte over “christmas at home” maar je moet maar kijken wat kan.’ Ik wens haar gedag en klik op het rode knopje op mijn mobiele telefoon. Ik ga naast Darius op een boomstam zitten. Ik probeer hem duidelijk te maken wat er aan de hand is. Ieder woord kost moeite: ‘Pacar saya sakit sekaki… Mungkin saya harus kembali ke Belanda’ Darius knikt. Hij heeft het begrepen. We stappen op zijn brommer en rijden terug.

Eenmaal terug in het huis waar ik slaap begin ik met het inpakken van mijn backpack…


donderdag 6 december 2012

Wie zoet is krijgt lekkers...

 Sintang, 5 december – 17:30

Ik sta bij de kassa van de Indonesische variant van ‘blokker’ en kijk hoe mijn boodschappen een voor een worden gescand: drie rollen pakpapier, een groen spaarvarken, een pluizig, geel etuitje met een angry-birds poppetje, een doos beng-beng’s, een zak met apennootjes, een oranje aansteker en een zakje pizza/rijst-koekjes. Dit zijn mijn sinterklaascadeautjes die ik vanavond zal inzetten bij het grote ‘SINTANG-klaas’ spel.
Tijdens de rit naar de feestlocatie probeer ik Agung uit te leggen hoe de kinderen in Nederland cadeautjes krijgen tijdens het Sinterklaas feest. ‘Ze zetten hun schoen in de buurt van de openhaard. In de schoen doen ze een wortel voor het paard en een lijst met cadeautjes die ze willen hebben. Dan moeten ze een liedje zingen want misschien zit er wel een zwarte piet te luisteren.’ Agung knikt alsof het de normaalste zaak van de wereld is, terwijl ik mij verwonder over de complete absurditeit van het hele proces.
Om vijf uur arriveren Agung, zijn neef Jamli en ik bij de twee Hollandse meisjes die ons hebben uitgenodigd: Esther en Robin. Deze twee dames werken voor een stichting die fysio- en ergotherapie aanbied aan kinderen met een handicap in Sintang. Esther staat in de keuken en is pannenkoeken aan het bakken. Robin is bezig de andere gasten een sinterklaasliedje aan te leren.
Na een tijdje druppelen de andere gasten binnen. Dit zijn vooral jonge, Indonesische vrouwen die op de scholen werken waar Esther en Robin langskomen. We zitten op de grond en eten pannenkoeken. Er wordt een hoop gelachen en een hoop grapjes gemaakt. Het is toch een behoorlijk multicultureel feestje geworden: we spreken Nederlands, Bahasa en Engels. Rechts van mij zit een Islamitisch meisje en links van mij een Katholieke jongeman en daar zit ik dan weer tussenin met mijn Boeddhistische allures.
Na het eten van de pannenkoeken begint het grote cadeautjes-spel. In het midden ligt een stapel cadeautjes. Door het gooien met de dobbelsteen en het uitvoeren van opdrachten kun je cadeautjes winnen en verliezen. Het is al snel duidelijk dat Agung graag de poederkoffie wil hebben. Hij heeft er duidelijk veel lol in en klaagt en moppert als hij weer een cadeautje moet ruilen of afstaan.
Na een uur spelen heeft iedereen de buit binnen. Ikzelf heb een toilettasje en een prinsessen-spiegeltje gewonnen en Agung zit grijnzend met een aantal zakje poederkoffie op zijn schoot. Tot slot doe ik wat goocheltrucs en Agung speelt poppenkast met de twee handpoppen van de int en zwarte piet.
Ik heb al veel bijzondere Sinterklaasfeestjes bijgewoond, maar deze editie was toch wel heel speciaal.