Den Haag, woensdag 19 September, 12:00
Inmiddels ben ik al in het bezit van een vliegticket (Turkisch Airlines; de goedkoopste), een reisverzekering (Unive) en een hele leuke reeks vaccinaties: Buiktyfus, Hepatitis B (2x) en Rabiës (3x). Ik heb 50 euro uitgegeven aan 12 pillen Malarone, die dus meer kosten dan de rest van mijn reisapotheek bij elkaar. Wat nog ontbreekt aan dit rijtje, mijn huidige missie, is een socio cultural visum voor de eerste zestig dagen. Een visum is niets anders dan een entreekaartje voor buitenstaanders; een soort vuurproef of je het wel waard bent om op Indonesische bodem rond te slenteren. Je krijgt het niet zomaar; je moet kunnen bewijzen dat er iemand in Indonesië is die je verwelkomd, dat je geen boef bent, dat je alles zelf betaald en dat je op een bepaald moment ook weer vertrekt. Deze papieren moet je allemaal naar Den Haag brengen zodat ze op de ambassade, binnen drie werkdagen en op ambachtelijke wijze, een visum voor je in elkaar knutselen.
Ik stap uit bij halte Banstraat (bus 24) in Den Haag. Als het goed is zit de ambassade hier twee minuten vandaan. Twintig minuten later heb ik de Noorse, Russische, Surinaamse en Arubaanse ambassades al gezien en ben ik terug bij de bushalte. Bij de tweede poging is het raak. De Indonesische ambassade zat gewoon naast de Zwitserse ambassade. Had ik kunnen weten. Ik teken het gastenboek en leeg dankbaar mijn blaas in de eerste wc die ik kan vinden. Terwijl ik rondkijk lijkt het mij duidelijk dat de Indonesische overheid haar ambassades zelf moet betalen. De meubels komen duidelijk uit de jaren tachtig en de batterijen van het security-poortje zijn ongetwijfeld al een decennium leeg. In het hele gebouw hangt de vage geur van nasi goreng.
De visum-administratie werkt met een dubbel oproep systeem: ze roepen je naam om én je moet een nummertje trekken. Ik ben al snel aan de beurt. "Johannes Heijn!" roept het dametje achter de balie. Ik moet mijn paspoort en mijn reispapieren tussen het kleine gleufje tussen de ruiten proppen. Terwijl het dametje de papieren bestudeert kan ik het kantoor achter de balie bestuderen; het is kaal maar heeft toch iets huiselijks. Op een tafel licht een baby die gekieteld wordt door een van de medewerkers. Achter een oude PC zit een jongen rustig wat namen over te typen. Het dametje is klaar. "Ja..." zegt ze, "dit en dit is goed. Maar waar zit de kopie van het paspoort van je sponsor?".
Een kopie van het paspoort van mij sponsor. Natuurlijk was er iets dat ik over het hoofd had gezien. Ik had natuurlijk wat beter moeten lezen, wat er allemaal op de website stond. Het dametje wijst naar een computer, achter in de wachtruimte. "Je kunt daar contact opnemen met je sponsor. Zeg hem dat hij een kopie stuurt. Je kunt hem dan hier uitprinten." Beduusd loop ik naar de computer, al weet ik dat het eigenlijk zinloos is. Mijn sponsor zit waarschijnlijk nog in het vliegtuig en zelfs als hij al geland is dan heb je nog te maken met het tijdsverschil. De kans dat ik vandaag mijn visum krijg daalt tot ver onder de één procent. Ik log in op de PC en stuur een mailtje naar de voorzitter van mijn organisatie.
Vijf minuten later begint mijn aftocht terug naar Wageningen. Van pure sikkeneurigheid peuter ik het korstje van mijn linker wijsvinger. Ik kauw op een eierkoek en kijk door het raam. De volgende ochtend krijg ik een mailtje met daarin een kopie van het paspoort van mijn sponsor. Volgende week zal ik opnieuw naar Den Haag moeten. Deze vuurproef is voorlopig nog niet doorstaan.
Inmiddels ben ik al in het bezit van een vliegticket (Turkisch Airlines; de goedkoopste), een reisverzekering (Unive) en een hele leuke reeks vaccinaties: Buiktyfus, Hepatitis B (2x) en Rabiës (3x). Ik heb 50 euro uitgegeven aan 12 pillen Malarone, die dus meer kosten dan de rest van mijn reisapotheek bij elkaar. Wat nog ontbreekt aan dit rijtje, mijn huidige missie, is een socio cultural visum voor de eerste zestig dagen. Een visum is niets anders dan een entreekaartje voor buitenstaanders; een soort vuurproef of je het wel waard bent om op Indonesische bodem rond te slenteren. Je krijgt het niet zomaar; je moet kunnen bewijzen dat er iemand in Indonesië is die je verwelkomd, dat je geen boef bent, dat je alles zelf betaald en dat je op een bepaald moment ook weer vertrekt. Deze papieren moet je allemaal naar Den Haag brengen zodat ze op de ambassade, binnen drie werkdagen en op ambachtelijke wijze, een visum voor je in elkaar knutselen.
Ik stap uit bij halte Banstraat (bus 24) in Den Haag. Als het goed is zit de ambassade hier twee minuten vandaan. Twintig minuten later heb ik de Noorse, Russische, Surinaamse en Arubaanse ambassades al gezien en ben ik terug bij de bushalte. Bij de tweede poging is het raak. De Indonesische ambassade zat gewoon naast de Zwitserse ambassade. Had ik kunnen weten. Ik teken het gastenboek en leeg dankbaar mijn blaas in de eerste wc die ik kan vinden. Terwijl ik rondkijk lijkt het mij duidelijk dat de Indonesische overheid haar ambassades zelf moet betalen. De meubels komen duidelijk uit de jaren tachtig en de batterijen van het security-poortje zijn ongetwijfeld al een decennium leeg. In het hele gebouw hangt de vage geur van nasi goreng.
De visum-administratie werkt met een dubbel oproep systeem: ze roepen je naam om én je moet een nummertje trekken. Ik ben al snel aan de beurt. "Johannes Heijn!" roept het dametje achter de balie. Ik moet mijn paspoort en mijn reispapieren tussen het kleine gleufje tussen de ruiten proppen. Terwijl het dametje de papieren bestudeert kan ik het kantoor achter de balie bestuderen; het is kaal maar heeft toch iets huiselijks. Op een tafel licht een baby die gekieteld wordt door een van de medewerkers. Achter een oude PC zit een jongen rustig wat namen over te typen. Het dametje is klaar. "Ja..." zegt ze, "dit en dit is goed. Maar waar zit de kopie van het paspoort van je sponsor?".
Een kopie van het paspoort van mij sponsor. Natuurlijk was er iets dat ik over het hoofd had gezien. Ik had natuurlijk wat beter moeten lezen, wat er allemaal op de website stond. Het dametje wijst naar een computer, achter in de wachtruimte. "Je kunt daar contact opnemen met je sponsor. Zeg hem dat hij een kopie stuurt. Je kunt hem dan hier uitprinten." Beduusd loop ik naar de computer, al weet ik dat het eigenlijk zinloos is. Mijn sponsor zit waarschijnlijk nog in het vliegtuig en zelfs als hij al geland is dan heb je nog te maken met het tijdsverschil. De kans dat ik vandaag mijn visum krijg daalt tot ver onder de één procent. Ik log in op de PC en stuur een mailtje naar de voorzitter van mijn organisatie.
Vijf minuten later begint mijn aftocht terug naar Wageningen. Van pure sikkeneurigheid peuter ik het korstje van mijn linker wijsvinger. Ik kauw op een eierkoek en kijk door het raam. De volgende ochtend krijg ik een mailtje met daarin een kopie van het paspoort van mijn sponsor. Volgende week zal ik opnieuw naar Den Haag moeten. Deze vuurproef is voorlopig nog niet doorstaan.